Verstopt oor, kom over een paar weken eens terug

Tien jaar geleden trad Tony Blair aan als premier van de Britten met de belofte het land te moderniseren – ook de beruchte gratis gezondheidszorg. „Ik hoef geen keuze, ik wil gewoon dat ons ziekenhuis goed is.”

Wee hem die in Groot-Brittannië aan een verstopt oor lijdt! In Nederland wordt zo’n ongemak meestal dezelfde dag nog door huisarts of assistent verholpen, de Britse Nationale Gezondheidsdienst (NHS) kan er weken voor nodig hebben. „Nee, het spijt me, meneer”, zeggen ze bij de huisartsenpraktijk. „Dat doet een verpleegkracht en de eerste is pas over een paar weken beschikbaar.”

Bij zijn aantreden, tien jaar geleden, verklaarde premier Tony Blair de gezondheidszorg en het onderwijs tot belangrijke maatstaven voor zijn succes. Maar het blijft ook na injecties van tientallen miljarden ponden vaak nog behelpen met de NHS, die de Britten al sinds 1948 kosteloos gezondheidszorg biedt.

Het is een geliefd Brits tijdverdrijf om te klagen over de NHS, met ruim 1,2 miljoen medewerkers een van de grootste werkgevers ter wereld. „De organisatie is te groot en wordt slecht gerund”, zegt Frank Wilson, een gepensioneerde man in het noorden van Londen die al maanden op een staaroperatie wacht. Toch blijven velen verknocht aan ‘hun’ NHS. „Het gaat er vaak te bureaucratisch toe maar het blijft een goede instelling”, meent Margaret Hepburn, Wilsons levensgezellin.

De NHS heeft vele gezichten. Neem het University College Hospital, dat twee jaar geleden een nieuw complex van zeegroene glasplaten betrok in het centrum van Londen. „Dit ziekenhuis is echt een boegbeeld van de Blair-jaren”, zegt Robert Naylor, directeur van de Trust, een soort stichting die het ziekenhuis beheert. „We zijn uitgerust met de nieuwste medische apparatuur en onze onderzoekers horen tot de meest geciteerde in Europa.” Vanuit zijn kantoor gebaart hij naar hijskranen, die bezig zijn met nieuwe vleugels aan het complex. „De bedoeling is dat we hier één grote nieuwe campus krijgen en dat we andere oude gebouwen van onze trust elders in de stad kunnen afstoten.”

Met vallen en opstaan heeft de regering-Blair haar weg gevonden op het terrein van de volksgezondheid. „De afgelopen tien jaar geven een gemengd beeld”, zegt prof. John Appleby, een econoom die is verbonden aan het King’s Fund, een onafhankelijke denktank die de gezondheidszorg kritisch volgt. „Labour heeft belangrijke successen geboekt maar ook veel tijd verspild.”

Blairs gezondheidsbeleid kende een valse start. Drie jaar lang was Frank Dobson, een socialist van de oude stempel, de baas op Volksgezondheid. Hij maakte een einde aan voorzichtige pogingen van de Conservatieven om de zorg te decentraliseren. Alles werd weer in één hand gebracht en Dobsons ideaal was overal dezelfde ziekenhuizen te hebben.

In 2000 greep Blair in, na toenemende publiciteit over misstanden in de gezondheidszorg. Tot ontsteltenis van minister van Financiën Gordon Brown kondigde hij aan dat het kabinet veel meer geld zou steken in de NHS. De uitgaven voor volksgezondheid moesten, vond Blair, op het gemiddelde niveau van de Europese Unie worden gebracht. De premier hield woord. De begroting voor volksgezondheid steeg van 37 miljard pond (52 miljard euro) in 1997 tot ruim 90 miljard pond dit jaar. Het land spendeert er nu 9,3 procent van zijn BNP aan, ruim 2 procentpunten meer dan in 1997.

Alan Milburn, een vertrouweling van Blair die in 2000 Dobson opvolgde, verlegde de koers. Succesvolle ziekenhuizen mochten de status aanvragen van ‘foundation trust’, waardoor ze meer autonomie kregen. Er zijn er nu 62, en dit aantal moet de komende jaren fors groeien. De extra miljarden werden intussen voor een groot deel (zo’n 43 procent) besteed aan hogere salarissen en meer personeel.

Dit maakte het makkelijker een van de belangrijkste grieven tegen de NHS aan te pakken: de wachttijden. „Die waren ongelooflijk lang, voor sommige operaties wel vijf jaar”, vertelt Appleby. „De regering heeft harde doelstellingen gehanteerd om de wachttijden terug te brengen. En met succes. Voor de meeste operaties hoef je nu niet langer dan drie maanden te wachten.” Ook werden er veel nieuwe ziekenhuizen gebouwd, waaronder de nieuwbouw voor het Londense UCLH, dat werkt volgens het principe van de ‘foundation trust’.

Voorzichtig maakte Blair een begin met marktwerking. Vroeger kregen ziekenhuizen een vaste onkostenvergoeding, nu moeten ze die verdienen. Ze krijgen geld naar prestaties. Hoe meer patiënten ze helpen, hoe meer geld. Ziekenhuizen zijn in dit opzicht afhankelijk van de artsen die patiënten beoordelen en doorverwijzen naar ziekenhuizen van hun keuze. Voor grote ziekenhuizen met veel specialisten als UCLH, dat patiënten uit het hele land trekt, is dat geen probleem, maar voor de kleinere wordt overleven steeds lastiger. „De regering weet nog niet hoever ze hiermee wil gaan”, zegt Appleby. „Wat doe je als een ziekenhuis failliet gaat?”

Behoedzaam geeft Blair intussen particuliere zorginstellingen meer ruimte. In de huisartsenpraktijk rollen op een digitaal schermpje rode teksten voorbij die patiënten aansporen zelf hun ziekenhuis te kiezen. Veel Britten zitten daar niet op te wachten. „Ik ben niet geïnteresseerd in keuze”, zegt Margaret Hepburn. „Ik wil gewoon dat het ziekenhuis hier in de buurt goed is.”

Ondanks alle verbeteringen zijn de klachten over de NHS niet verdwenen. De kritiek bereikte vorig jaar orkaankracht, toen de NHS mensen moest ontslaan en ziekenhuisbedden moest afstoten. Het geld was plotseling op. Onder die omstandigheden, zegt Naylor „is het geen benijdenswaardige taak om het imago van de NHS op te krikken”.

Morgen in het Zaterdags Bijvoegsel: Blair en de schaduw van Irak.