Veiligheid boven zieleheil

De Engelse filosoof John Locke is een van de aartsvaders van de moderne gewetensvrijheid. Zijn bespiegelingen zijn hoogst actueel, nu de tolerantie opnieuw in de beklaagdenbank staat.

John Marshall: John Locke. Toleration and Early Enlightenment Culture. Cambridge University Press, 767 blz. € 109,–

Nog niet zo lang geleden was de Nederlandse samenleving trots op haar tolerantie, maar waar was zij eigenlijk trots op? Voor velen was die tolerantie verbonden met de jaren zestig, dus met seksuele vrijheid, het afwijzen van autoriteit op ieder gebied, het toestaan van abortus en euthanasie, drugsgebruik, het doorbreken van taboes. Voor anderen stond de Nederlandse tolerantie voor godsdienstvrijheid. Nederland, zo werd geleerd, was vanaf de Gouden Eeuw een toevluchtsoord voor Hugenoten, joden, katholieken, wederdopers, doopsgezinden die elders in Europa werden vervolgd vanwege hun geloof.

Dat dit beeld van een tolerante Hollandse samenleving in de 17de eeuw genuanceerd moet worden blijkt uit een kolossale studie van de Amerikaanse historicus John Marshall, John Locke. Toleration and Early Enlightenment Culture. De Engelse filosoof was in 1683 naar Nederland gevlucht, omdat hij vreesde door koning Jacobus II gevangen te worden genomen. Locke was bevriend met de graaf van Shaftesbury, die een tegenstander was van de koning en diens pogingen het katholicisme in Engeland te legaliseren. Eenheid van staat vereiste, zo meenden sommigen, eenheid van godsdienst, sinds Hendrik VIII de Anglicaanse kerk had gesticht. In Frankrijk had Lodewijk XIV in 1685 het Edict van Nantes uit 1598 herroepen, dat de protestantse Hugenoten in bepaalde gebieden van Frankrijk toestond hun godsdienst te belijden. 200.000 Hugenoten vluchtten daarop het land uit, een groot deel naar Nederland.

Locke, die de situatie in Frankrijk met eigen ogen had waargenomen en uiteraard de toestand in Engeland kende, kwam in een land terecht waarin de facto vrijheid van godsdienst bestond. Weliswaar dienden de beoefenaars hun godsdienst te belijden in godshuizen die er op het oog uitzagen als gewone huizen, maar iedereen wist waar ze stonden.

Maar was het allemaal werkelijk zo fraai? Marshall merkt op dat ‘de Nederlanders ongebruikelijk tolerant waren, maar dat er tegelijkertijd verzet bestond tegen een universele of volledige religieuze tolerantie.’ De tolerantie bestond vooral omdat de overheden niet in staat waren religieus intolerante wetten te handhaven. Van pogingen om tolerantie juridisch vast te leggen was helemaal geen sprake. De zwijgende hervormde meerderheid was helemaal niet tolerant, maar gedoogde andere godsdiensten, mits die niet publiekelijk beleden werden. Katholieken, joden en mennonieten kwamen niet in aanmerking voor overheidsfuncties. Het debat over tolerantie in Nederland werd vooral door immigranten gevoerd.

In het tweede deel van zijn boek traceert Marshall redeneringen die in dat debat gebruikt zijn tot hun historische bron. In essentie gaan die redeneringen terug tot Augustinus en Pelagius. Volgens Augustinus is de mens zondig geboren en overgeleverd aan de goddelijke genade; Pelagius meende dat de mens vrij is van erfzonde en tijdens zijn of haar leven God kan behagen of ontstemmen. Die controverse uit de 4de eeuw na Christus werd herhaald in de 16de eeuw, toen de Italiaanse theoloog Socinus betoogde dat de erfzonde inderdaad niet bestaat, dat de voorstelling van God als een heilige drie-eenheid onzin is, en dat de goddelijke predestinatie van het menselijk bestaan ook een fabeltje is. Het predikaat ‘Socianisme’ werd in de 17de eeuw een scheldwoord. In Holland werd deze kwestie weerspiegeld in het conflict tussen Arminius en Gomarus. Arminius verwierp de predestinatieleer; Gomarus verdedigde die en werd door de Dordtse Synode in het gelijk gesteld, waarna de volgelingen van Arminius de remonstrantse broederschap oprichtten. Locke heeft zich tijdens zijn verblijf in Holland in dit conflict verdiept en sprak, naar verluidt, zijn voorkeur uit voor de remonstranten.

Het toneel is nu opgeschikt voor het derde bedrijf dat het hoogtepunt vormt van Marshalls boek, te weten de bespreking van de argumenten voor tolerantie. Lockes belangrijkste bijdrage was A Letter Concerning Toleration, die hij grotendeels in Rotterdam geschreven heeft, waar hij verbleef in het huis van de Quaker Benjamin Furley. Zijn uitgangspunt is dat de staat in de allereerste plaats de belangen van de burgers, zoals vrijheid en veiligheid, moet dienen. Het is nadrukkelijk niet het doel van de staat om de menselijke ziel te redden. Locke geeft daarvoor de volgende redenen. Ten eerste is de zorg voor de ziel niet toevertrouwd aan de overheid, noch aan enige andere menselijke instantie, want God heeft nooit daartoe de ene mens meer autoriteit gegeven dan een ander. Ten tweede kan de zorg voor de ziel niet toevertrouwd worden aan de overheid, omdat diens kracht enkel bestaat uit fysieke dwang, terwijl ware religie bestaat in de innerlijke overtuiging van de geest, zonder welke niets acceptabel kan zijn voor God. Ten derde kan de zielzorg niet toevertrouwd worden aan de overheid, omdat wetten en straffen mensen er misschien toe kunnen brengen om van gedachten te veranderen, maar daarmee nog niet bijdragen aan hun zieleheil.

Locke geeft ook een definitie van ‘de kerk’, die volgens hem een vrijwillige vereniging van mensen is, die op eigen initiatief samenkomen om op hun eigen manier publiekelijk God te dienen. Met behulp van deze definities kan Locke de grenzen van tolerantie aangeven. Om te beginnen kan een kerk iemand excommuniceren. Zij hoeft, als vrijwillige vereniging, niet iemand te accepteren die zich niet houdt aan de regels. Zo’n excommunicatie mag echter onder geen beding met geweld gepaard gaan. De staat is de hoeder van tolerantie en heeft geen enkel recht zich te bemoeien met de uitoefening van de godsdienst, maar mag wel ingrijpen waar de belangen van burgers worden geschaad. De staat hoeft ook geen godsdienst te tolereren, zoals het katholicisme, die als regel handhaaft dat iedereen die lid wordt van de kerk daarmee onderdaan worden van een andere staat, namelijk het Vaticaan; katholieken hebben eigenlijk twee paspoorten. Tenslotte wijst Locke iedere vorm van atheïsme af, want ‘the taking away of God dissolves all.’ Locke meende dat je een atheïst niet kunt vertrouwen – alsof een atheïst geen beroep zou kunnen doen op zijn geweten. In zijn correspondentie zwakte Locke dit verwijt later af, onder andere omdat er reisboeken verschenen waarin gewag werd gemaakt van vreedzame, atheïstische samenlevingen in Thailand (Siam) en China.

Het doorwrochte boek van Marshall is een ware Fundgrube van feiten en argumenten voor tolerantie en intolerantie. Het is daarnaast een eerbetoon aan Locke en zijn nog liberalere tijdgenoot Pierre Bayle, die het scherp zagen: het doel van de staat is het garanderen van veiligheid aan al zijn onderdanen. Het doel van de staat is niet het zieleheil van zijn burgers. Het zou daarom goed zijn, wanneer men kennisneemt van hun theoretische werk uit de 17de eeuw. De grondslagen van onze rechtsstaat zijn door filosofen als Locke gelegd en goed doordacht. Voor we oproepen tot intolerantie zouden we toch eerst eens moeten nagaan waarom men in onze Gouden Eeuw meende dat we tolerant moesten zijn.