Tussen de anderen

Adriaan Jaeggi: Edele dieren. Nieuw Amsterdam, 271 blz. €16,50

Leo Pleysier: De Latino’s. De Bezige Bij, 175 blz. € 16,50

Je hebt mensen die huis en haard verlaten om zich onder te dompelen in een vreemde cultuur. Dat soort mensen zijn Toon en Anna, een jong en idealistisch Vlaams stel dat in De Latino’s, de nieuwe roman van Leo Pleysier (1945), als ontwikkelingswerker een huisje betrekt in een onherbergzaam deel van Ecuador.

Je hebt ook mensen die huis en haard verlaten om zich onder te dompelen in een vreemd zwembad. Dat soort mensen zijn Martin, Karen, Robbert, Eva, Fulco en Boukje, de grootstedelijke Nederlanders die in Edele dieren, de nieuwe roman van Adriaan Jaeggi (1963), een villa huren in een onherbergzaam stuk Zuid-Italië.

Pleysier en Jaeggi zijn geen schrijvers die je snel in elkaars gezelschap zou verwachten: de eerste maakte naam met mooie, enigszins verstilde Vlaamse plattelandsromans (Wit is altijd schoon is de bekendste), de tweede schreef weliswaar de geprezen roman Held van beroep, maar kreeg de laatste jaren vooral bekendheid door zijn activiteiten als columnist.

Toch zijn De Latino’s en Edele dieren verwant. In beide boeken worden westerlingen hardhandig geconfronteerd met een werkelijkheid die niet beantwoordt aan hun verwachtingen. Zij het dat die verwachtingen tegengesteld zijn. Anna en Toon uit De Latino’s zijn wereldverbeteraars zoals er in de jaren zeventig en tachtig honderden aan de West-Europese universiteiten te vinden waren. Jarenlang hebben zij gehoopt op een kans om naar hun gedroomde continent Zuid-Amerika te gaan, want daar is het leven echter dan in België. Maar als het eindelijk zo ver is, gaat het mis. De eerste tijd houden ze zich staande in het dorp, waar ze aan het werk moeten, maar als hun een ramp overkomt wil Anna nog maar één ding: terug naar huis.

De vriendengroep die Jaeggi in Edele dieren naar Zuid-Italië stuurt is van een heel ander slag. Deze succesvolle dertigers zijn ‘mensen bij wie intelligentie voortkwam uit een verlangen om niet oppervlakkig te zijn’. Ze willen feesten in hun gehuurde villa, maar raken uit hun evenwicht als blijkt dat ze zich niet voor hun armoedige omgeving kunnen afsluiten. En soms ook niet meer wíllen afsluiten.

Samen geven de twee boeken een overzicht van het onvermogen van rijke, beschermde westerlingen om zich te verhouden tot de rest van de wereld. Onwil is daarbij niet eens het grootste probleem. Pleysiers ontwikkelingswerkers willen niets liever dan Zuid-Amerikaan worden – als die identiteit zou bestaan. Het probleem is dat ze hun beeld van het continent zo dichtgetimmerd hebben met clichés dat ze niet meer helder waarnemen. Door hun roze bril zien niet dat ze fundamenteel anders zijn dan de Ecuadorianen waar ze mee leven. Zoals de zelfingenomen yuppen van Jaeggi niet zien dat ze in veel opzichten fundamenteel hetzelfde zijn als de Italianen in het dorp.

Maar afzonderlijk zijn De Latino’s en Edele dieren teleurstellend. Dat komt niet door de stijl: Jaeggi schrijft vlot met hier en daar een raak beeld, zoals wanneer hij zijn reizigers zich laat vastklampen aan ‘de grote marmeren tafel, die deze avond het middelpunt van alles was, het enige baken in de onmetelijke eenzaamheid van de hemel boven hun hoofd, de koude sterren en de zee die niets om hen gaven.’ Pleysier schrijft voor zijn doen zuinig, maar is nooit op een slechte zin te betrappen.

Nee, het probleem van deze twee romans zit in iets anders: de grote afstand die de auteurs bewaren tot hun personages. Jaeggi is zo bedreven in het herkenbaar neerzetten van zijn mooie mensen met hun kleine obsessies, hun materialisme en onderlinge rolpatronen dat ze maar geen mensen van vlees en bloed willen worden. Hij lijkt zich wel vrolijk te willen maken over zijn troepje toeristen, maar je krijgt stellig de indruk dat hij weinig om ze geeft. Daar komen in Edele dieren nog wat mankementen bij: de scènes in het vakantiehuis zijn eindeloos uitgesponnen en het boek bevat tijdschema’s waar je te lang over moet nadenken – kan een mens in een oude auto binnen de 14 uur naar Zuid-Italië rijden?

In Pleysiers roman is het weliswaar lastig om een hekel te krijgen aan de goedhartige ontwikkelingswerkers. Maar hun naïviteit is zo allesoverheersend dat je ze maar moeilijk serieus kunt nemen. Je vraagt je ook zeer af of hun schepper dat doet. Met veel goede wil kun je in de portrettering van Toon en Anna nog wel een afspiegeling zien van de clichématige wijze waarop dergelijke naïevelingen de derde wereld beschouwen, maar die reddingsboei houdt De Latino’s niet boven water.