Sorry, Mondriaan

In Rome hangt van elk van de zevenentwintig landen van het verenigd Europa één kunstwerk dat men specifiek achtte voor aard en wezen van het land.

Met Europa en cultuur is alles geprobeerd. Er zijn ontzagwekkende bloemlezingen verschenen vol ‘Europese’ literatuur, er zijn fondsen verstrekt om ‘Europese’ films te maken, er zijn romans uit kleine talen vertaald voor grote landen, romans uit grote landen vertaald in kleine talen. Er zijn zwermen dichters neergestreken in pittoreske kastelen en op rijnaken, er is avond aan avond voorgelezen in schouwburgen en op marktpleinen. Er zijn ‘Europese’ kunst- en literatuurprijzen uitgedeeld, waarvan plichtmatig kennis is gegeven op de kunstpagina’s van de kranten. Er zijn ontelbare congressen, lezingen, debatten en manifestaties georganiseerd over de vraag: bestaat er eigenlijk zoiets als een Europese cultuur? En zo ja, wat is dat dan?

De vraag stellen is – de vraag stellen. Een overtuigend antwoord heb ik in al die jaren nooit gehoord. Het gevoel van een culturele identiteit die specifiek Europees is, is niet ingedaald, alle gesubsidieerde krachtinspanningen ten spijt. Al die kunsttentoonstellingen en culturele debatten bleken pogingen om van bovenaf iets op te leggen wat van onderaf had moeten komen. Des te harder er geroepen werd dat we wel degelijk iets deelden, dat we ons wel degelijk konden koesteren in een gemeenschappelijke cultuur, des te minder we erin geloofden.

Behalve krampachtig waren die culturele Europamanifestaties ook ergerlijk: door de manier waarop het begrip cultuur gehanteerd werd. Altijd zweefde er een zweem van sentimenteel humanisme omheen, de notie dat de verenigde Europeanen elkaar gemakkelijk zouden kunnen vinden in een gedeeld verleden, omringd door cultuurschatten die weliswaar specifiek uit één land afkomstig waren, maar niettemin van heel Europa waren. Cultuur als veilige haven, kunst als stootkussen – waar we elkaar vonden in een gemeenschappelijke kunst en cultuur, daar was de grote, boze wereld ver weg. Zoals de Europese Unie zich vanaf haar oprichting fel kantte tegen alles wat naar nationalisme neeg om een herhaling van het gruwelijke verleden te voorkomen, zo werd ook over steevast over een Europese cultuur gesproken als iets zonder scherpe kantjes, iets zachts en ongevaarlijks waarin we geriefelijk achterover konden leunen.

Das war einmal. De taal van geruststellende algemeenheden waarvan Europa zich zo lang heeft bediend, stuit sinds een paar jaar op achterdocht en afkeer bij een groot deel van de Europeanen; het eens zo glanzende ideaal van eenwording dreigt op de schroothoop van de geschiedenis te belanden. Als reactie tegen globalisering en immigratie wordt niet meer gezocht naar wat gemeenschappelijk is, maar naar wat specifiek is. In een wereld waarin alles algemeen dreigt te worden, moet het eigene worden gehuldigd. Europa – ach, Europa: er moet de burgers een nieuw verhaal verteld worden, zoveel is duidelijk, maar niemand weet welk. Europa is niet mislukt, zeggen de pleitbezorgers, Europa is een daverend succes; er moet alleen een nieuwe taal worden gevonden om het succes van de afgelopen vijftig jaar door te laten dringen tot burgers die zich wrokkig afkeren van de grote wereld en zich verliezen in een heruitgevonden nationalisme of provincialisme.

Welke taal? De tentoonstelling die tot eind mei te zien is in het Romeinse Quirinale, de ambtswoning van de Italiaanse president, mag je gerust beschouwen als een teken aan de wand. De tentoonstelling heet Capolavori dell’arte europeano – meesterwerken van de Europese kunst. Dat klinkt ouderwets knus. Maar het zijn niet zomaar meesterwerken die in de majesteitelijke hal staan opgesteld. Het zijn in de eerste plaats nationale meesterwerken. De opdracht aan de zevenentwintig landen van het verenigd Europa luidde namelijk dat ieder land afzonderlijk één kunstwerk mocht insturen, een kunstwerk dat men specifiek achtte voor aard en wezen van dat land.

De verzamelde schilderijen en beelden worden dus geacht hun land te vertegenwoordigen – dit is een Eurovisie songfestival van de kunst. Er moet samen iets gevierd worden, namelijk het vijftigjarig jubileum van het Verdrag van Rome (die keurig in een vitrine liggen uitgestald, opengeslagen op een Nederlandse bladzijde, waarop de invoer van koffie in Europees verband geregeld wordt). Maar bij dat vieren mag iedereen zichzelf zijn, moet iedereen zichzelf van zijn beste kant laten zien.

En net als bij het Songfestival is de tentoonstelling in het Quirinale een artistiek allegaartje. Frankrijk stuurde een verantwoorde kopie van De denker van Rodin in, Nederland een Mondriaan, Italië een Titiaan, België een Van Dyck, Griekenland een oud Grieks beeld, Roemenië een Roemeens icoon, Duitsland een Dürer, Spanje een Velasquez. Sommige meesterwerken zijn wat minder meesterlijk dan andere. Maar anders dan op een doorsnee thematische tentoonstelling hoeft de bezoeker niet op zoek te gaan naar wat de kunstwerken met elkaar verbindt, maar juist naar het tegenovergestelde: waarmee onderscheiden ze zich, waarin zijn ze specifiek voor een bepaalde landsaard?

Tenminste, dat is wat de samenstellers beogen. Het werkelijke verhaal is interessanter: het zelfbeeld dat de afzonderlijke landen onthullen door juist dit ene kunstwerk in te sturen. Hoe ziet men zichzelf, hoe zou men het liefst door anderen gezien worden? Hoe zou ieder land zichzelf het liefst karakteriseren?

Neem die Mondriaan. Het is een Compositie met raster uit 1918, olieverf op linnen. Wat hebben de Nederlandse inzenders willen zeggen met deze formidabele geometrische onaangedaanheid? Wie goed naar het Nederland van nu kijkt, denkt aan iedere kunstenaar behalve aan Mondriaan. Het huidige Nederland heeft niets evenwichtigs, heeft het zicht op essenties verloren, is in niets onthecht en heeft een luidruchtige afkeer van alles dat naar abstractie neigt. Deze Mondriaan als nationaal karakteristiek is dus eerder een voorbeeld van wensdenken dan een geloofwaardige vertolking van een nationale werkelijkheid. Nederland is Mondriaan – we mochten het willen.

Wat voor Nederland geldt, gaat op voor de meeste landen. Het cliché luidt dat kunst de waarheid liegt – maar op deze tentoonstelling wordt de leugen gelogen. De kunstwerken moeten een zelfbeeld bevestigen, dat steeds nogal verzonnen aandoet.

Hoe zien die zelfbeelden eruit? Sommige landen willen graag even iets rechtzetten. Oostenrijk wilde iedere Heimatlyriek vermijden en stuurde een staaltje ‘Entartete’ kunst in: een wulpse naakte vrouw van Egon Schiele. Andere landen benadrukken juist hun geworteldheid en kiezen voor het landschap als symbool voor onvergankelijke eigenheid – Finland, natuurlijk, maar ook Hongarije (een foeilelijke eenzame ceder van Tivadar Kosztka uit 1907) en Letland. Groot-Brittannië houdt het letterlijk vaag met een onaf doek van Turner, The Arrival of Louis-Philippe at Portsmouth, 8 October 1844. Slowakije huldigt de eeuwige boeren in hun eeuwige landschap met olieverfschilderij van Martin Benka, terwijl Tsjechië juist voor de dag komt met een bronzen kubistische buste van Otto Gutfreund – het verschil is veelzeggend. Estland houdt het bij een eenvoudige familie.

Griekenland grijpt terug op zijn klassieke grootsheid met een prachtig gestileerde Kore van de Acropolis, van ruim vijfhonderd jaar voor Christus. Malta laat zien dat het nog meer verleden heeft en komt aanzetten met een beeldje van een beschadigde oermoeder (roepnaam: Fat Lady) uit het derde millennium voor Christus.

En dan is er natuurlijk nog Christus zelf. Veel nieuwe landen onderstrepen met hun ingezonden kunstwerken hun zelfbeeld als diepchristelijke natie: Roemenië, Bulgarije, Cyprus en ook België. Dat zijn stuk voor stuk landen die iets te bewijzen hebben, namelijk dat ze in een moderne, versplinterde wereld weten vast te houden aan hun christelijke wortels – en niemand die ze die af zal nemen. De eerste drie landen hebben iconen en fresco’s ingestuurd, België komt met een dode Christus in de armen van een weeklagende Maria van Antoon van Dyck. Men heeft duidelijk voor het onderwerp gekozen, niet in de eerste plaats voor de schilder: de religieuze voorstellingen van Van Dyck hebben voor mij altijd iets vlaks en ongeloofwaardigs. Zijn wereldse staatsieportretten van de rijken en machtigen van zijn tijd overrompelen mij meer dan zijn lijdende Christussen.

Deze christelijke landen worden op de tentoonstelling van repliek gediend door de landen die het individu voorop willen stellen. Geen landschappen, geen religie, geen gemeenschap, maar zelfstandige mensen. Daarbij worden stereotiepen bevestigd: Duitsland kiest voor een serieuze Duitse kop van Dürer (Jakob Muffel, 1526). Van deze man moet je niet teveel uitzinnigheid verwachten, en zeker ook geen humor, maar weloverwogen degelijkheid is ook wat waard.

Frankrijk – inderdaad, Le Penseur.

Italië ziet zichzelf graag als de jongeman die Titiaan schilderde – mooi, intens, intelligent, rijk, op en top individu, helemaal van deze en van iedere andere tijd. Een blik op zijn wereldse hoofd en iedere herinnering aan Berlusconi is weggevaagd. Zo’n Italiaan wil ik ook zijn.

En Polen, ach Polen: dat land stuurde het grootste doek van de tentoonstelling in. Een staaltje negentiende-eeuwse nationalistische propaganda van Jan Matejko, dat het honderdjarige jubileum van de Constitutie van 3 maart 1791 moest vereeuwigen. Ook hier wensdenken, de droom van nationale onafhankelijkheid en burgerlijke vrijheid: die Poolse constitutie was de meest liberale grondwet die Europa tot dan toe gekend had. Jammer dat hij maar zo kort van kracht was, twee jaar erna vond de Tweede Poolse deling plaats, en nog eens twee jaar daarna bestond er helemaal geen Polen meer.

Als deze tentoonstelling iets duidelijk maakt, is dat het afgelopen is met de behaaglijke notie van een geruststellende, gemeenschappelijke Europese cultuur. Wanneer je ziet hoe de afzonderlijke landen zichzelf wensen te zien, word je onwillekeurig geconfronteerd met de vraag: hoe wil ik mezelf zien? Het vage idee van een verenigd Europa, het idee waarmee ik opgroeide tijdens de jaren zeventig, is vervangen door een groot aantal andere ideeën, waarvan de meeste elkaar tegenspreken. Wie wil je zijn? Een individu dat op de eerste plaats wereldburger is, vrij van de knellende banden van een nationale gemeenschap, wereldburger in een mondiaal netwerk van Blackberries en transatlantische vluchten? Of ga je op zoek naar waar je vandaan komt, het landschap van je voorouders, de geschiedenis van de Heimat? Sticht je een nieuwe gemeenschap, een gemeenschap van het herboren geloof – of van een nieuw nationalisme dat zich afzet tegen wat als oneigenlijk wordt ervaren? Of kun je zowel het een zijn als het andere – geworteld en ongebonden, traditioneel en modern?

Alle kunstwerken in het Quirinale, oud en nieuw, geschilderd of gebeeldhouwd, figuratief of abstract, staan voor eigenheid. Dat eigenheid altijd een beetje verzonnen moet worden, dat het altijd meer beeld is dan werkelijkheid, dat weten we – maar het maakt de behoefte eraan niet minder. Christus, een oud landschap, een hechte familie of juist de eenling die aan zichzelf genoeg heeft, het zijn beelden die vijftig jaar na de eerste stappen op weg naar een verenigd Europa niet vervaagd zijn, integendeel, ze hebben de laatste jaren aan kracht gewonnen. Ze zijn nooit weggeweest, maar nu is er een lijntje om getrokken, nu zijn ze duidelijk gemarkeerd. Daar is Europa zelf debet aan, althans de gemeenzame Europese taal van eenwording en de blijde verwachting van het onvermijdelijke opgaan in een vaag en abstract geheel.

Dat besef lijkt nu doorgedrongen, en het zegt veel dat op de Europese jubileumtentoonstelling de deelnemende landen gevraagd is het eigene te benadrukken. Verdwenen is de taal van de gedeelde cultuur, er moet juist weer gezocht worden naar wat ons onderscheidt van elkaar. Eenheid in culturele verscheidenheid, lijkt nu het motto. Het mooie van de Europese cultuur is ineens dat we zoveel niet gemeenschappelijk hebben, dat we ondanks verdere eenwording zo wonderbaarlijk onze eigen onvervreemdbare zelf zijn gebleven.

Maar ook die gedachte is op een valse manier geruststellend. We zijn namelijk helemaal niet onszelf gebleven, we zijn bang. De nieuwe hang naar eigenheid komt voort uit een gevoel van dreiging. We klampen ons met hernieuwde kracht vast aan Christus, aan ons landschap, aan onze zwaarbevochten individualiteit, omdat we het gevoel hebben dat iemand bezig is die ons af te nemen.

Achter de culturele gezapigheid van deze tentoonstelling zit onrust. Het is een onrust die gemakkelijk in paniek kan omslaan, zoals wij in Nederland – sorry, Mondriaan – de afgelopen jaren hebben meegemaakt. De culturele verscheidenheid die in het Quirinale gevierd wordt, moet culturele tegenstellingen verhullen die gemakkelijk het verenigd Europa kunnen bedreigen. We hebben niets tegen verscheidenheid, maar hoeveel eigenheid van anderen kunnen we verdragen?

Dat is de vraag die Europa zich moet stellen, wil het overleven. In het Quirinale wordt die vraag toegedekt. Voor de goede verstaander echoot hij door alle gangen.