Snel verloop doet vrouwenturnploeg geen goed

Bij de gisteren begonnen EK turnen in Amsterdam benaderen alleen Verona van de Leur en Lichelle Wong het olympische niveau. Met het oog op de Spelen van volgend jaar is dat weinig hoopvol.

Henk Stouwdam

Amsterdam, 27 april. - De kans dat Nederland volgend jaar op de Olympische Spelen in Peking met een vrouwenturnploeg deelneemt aan het landentoernooi, lijkt niet erg groot. Lang werd gedacht dat kwalificatie een reële doelstelling was, maar nu er zo veel ervaren turnsters geblesseerd afhaken of uit vorm zijn, is die hoop door de coaches vrijwel opgegeven.

De resultaten op de eerste dag van de Europese kampioenschappen in de Rai Amsterdam bevestigden gisteren dat troebele perspectief. Alleen Verona van de Leur en Lichelle Wong benaderden het olympische niveau, maar dat zal niet toereikend zijn om een ploeg naar Peking af te vaardigen. Het is waarschijnlijker dat één of twee turnsters worden afgevaardigd.

Bij de EK in Amsterdam wordt weliswaar niet beslist over deelname aan de Spelen, maar de titelstrijd is indicatief voor de kansen, omdat over vier maanden in Stuttgart bij de wereldkampioenschappen de olympische plaatsen worden verdeeld. Voor turnsters die hun programma nu nog niet op niveau hebben, begint de tijd te dringen. En de zorgen van de coaches nemen toe. Zij vrezen dat te veel jonge turnsters de plaats van ervaren krachten moeten innemen. Esther Heijnen, trainster van routinier Van de Leur en technisch adviseur van de turnbond (KNGU) is „niet super positief”. En Frank Louter, trainer van Lichelle Wong, Nederlands beste turnster van dit moment: „Het wordt moeilijk, omdat voor een teamprestatie de nummers vier en vijf (nog) niet goed genoeg zijn.”

De trainers gaan ervan uit dat in Stuttgart een totaalscore van 232.000 punten noodzakelijk is om met het team bij de voor olympische kwalificatie vereiste eerste twaalf te eindigen. Een dergelijke score betekent dat vier turnsters in de meerkamp minimaal op een puntentotaal van 58.000 punten moeten uitkomen. Dat lijkt voorlopig een illusie. Zelfs Wong (55.450) en Van de Leur (54.750) bleven gisteren ver van die ideaalscore verwijderd. De debutanten Stephanie Tijmes (54.325) en Sanne Wevers, die wegens een lichte blessure maar drie van de vier toestellen turnde, deden het zeer behoorlijk, maar garanderen nog niet een internationaal hoogwaardig meerkampprogramma. Bovendien missen zij nog de noodzakelijke stabiliteit.

De grote vraag is: hoe staan ervaren krachten als Loes Linders, Berber van den Berg en Danila Koster ervoor? Dat drietal was er vorig jaar oktober bij toen Nederlands zich plaatste voor de WK in Stuttgart, maar sindsdien is weinig meer van hun vernomen. Linders heeft de wijk genomen naar trainer René Poutsma in Gent, maar de technische staf van de Nederlandse ploeg heeft geen zicht op haar programma en vreest dat zij vernieuwingen doorvoert die ten koste gaan van haar stabiliteit. Bij de wereldkampioenschappen in het Deense Arhus, ruim een half jaar geleden, had Linders haar programma al omgegooid, maar moest ze op gezag van Heijnen oude oefeningen turnen. Die wilde niet het risico lopen dat Nederland al in een vroeg stadium de olympische kansen zou vergooien. En Heijnen heeft geen idee hoe goed en ambitieus Van den Berg en Koster, twee clubgenoten bij Heerenveen, op dit moment zijn. Ze heeft met die twee al geruime tijd geen contact gehad.

Het snelle verloop in de Nederlandse vrouwenploeg is opvallend. Van de zes turnsters die in Arhus aantraden, zijn er zes maanden later in Amsterdam nog maar twee actief. Wong en Van de Leur zijn overgebleven, terwijl Linders, Van den Berg, Koster en Hoefnagel om uiteenlopende redenen absent zijn. Hoefnagel is vanwege motivatieproblemen zelfs gestopt met turnen, terwijl in een eerder stadium Suzanne Harmes al was afgehaakt wegens zwangerschap. Er zou geen nood aan de man zijn als jonge gelijkwaardige vervangsters zouden klaarstaan, maar van die groep haakten voor de EK Petra Witjes en Tahnee Masela op hun beurt weer geblesseerd af.

Louter kijkt daar niet van op. De meest ervaren turntrainer in Nederland spreekt van een structureel probleem, omdat de basis te smal is. Het ontbreekt volgens hem aan de noodzakelijke scouting en de tijd om voldoende jonge meisjes verantwoord op te leiden. „Het kost acht jaar om een turnster op internationaal niveau te krijgen. Maar daarna is het voortdurend de vraag hoe lang ze fit blijft. Rust krijgen ze amper, omdat ze wegens gebrek aan vervangers steeds weer voor wedstrijden ingezet moeten worden. En dat wreekt zich vaak in een carrière waarin ze doorgaans maar twee of drie jaar echt goed zijn.”

De vele onzekerheden met het oog op de wereldtitelstrijd in Stuttgart heeft de turnbond doen besluiten het kwalificatietraject aan te passen. In plaats van de gebruikelijke uitgebreide voorbereiding, is gekozen voor een late kwalificatie. Pas op 11 augustus, drie weken voor de WK, is de laatste test. Dat is gebeurd op aandringen van de trainers, die daarmee het best inzicht krijgen in de vorm van alle turnsters.