Preek

Een goed gereformeerde opvoeding laat sporen na. Zo houd je er bijvoorbeeld goed gereformeerde vriendinnen aan over, wat er weer toe leidt dat je op gezette tijden nog wel eens een kerk van binnen ziet. Vooral bij huwelijken en begrafenissen, maar een enkele keer ook op een willekeurige zondag, tijdens logeerpartijen buiten de Randstad. De goed gereformeerde opvoeding staat er garant voor dat je zo weer meezingt met de gemeente en ook de rituelen rond het collectezakje, de schriftlezing en de zegen voelen vertrouwd.

Wat niet meeviel was de preek. Ik zeur niet over de lengte; wat mij zwaar viel was de vorm. Zo’n predikant die op een kansel staat en 20, 25 minuten lang op apodictische toon stellingen poneert, waarvan je denkt: waar baseer je dit op, waar heb je dit vandaan?

Ik ben helemaal niet hypermodern en zeker geen fanatieke aanhanger van enige variant van het nieuwe leren, maar alles in mij hoopte dat de dominee na afloop van de preek zou zeggen: ‘Zo. Ik heb natuurlijk nogal wat staan beweren en ik kan me voorstellen dat u nu brandt van verlangen om vragen te stellen en mij tegen te spreken. De ouderling van dienst heeft mijn voornaamste stellingen op een handout gezet, die nu zal worden rondgedeeld. Wie van u mag ik als eerste het woord geven?’

Maar niets daarvan. De dominee sloot af met het voorstel om gezamenlijk psalm 42 aan te heffen.

Een vergelijkbare ergernis bekroop menig NRC-lezer bij het lezen van ‘Denk eerst aan je kinderen voordat je jezelf wilt ontplooien’, een artikel van Andreas Kinneging, hoogleraar rechtsfilosofie in Leiden (Opinie & Debat, 21 april). Een bijdrage vol met kreten als ‘natuurlijk’, ‘we weten toch allemaal dat’ en ‘laten we daar geen doekjes om winden’, aldus een lezer uit Almelo. ‘Een lekenpreek’, typeerde een lezer uit Amsterdam.

In een normatief-ethisch betoog verwachten mensen tegenwoordig een grondige verkenning van argumenten voor en tegen een bepaald standpunt, gevolgd door voorzichtige conclusies. Als er wordt gestrooid met ‘ten principales’ en met zekerheden ‘die we allemaal kennen’, dan verwachten moderne lezers verwijzingen naar empirisch onderzoek. Een hoogleraar pedagogiek zou de voetnoten en de concrete voorbeelden in een bijdrage over opvoeding misschien nog weg mogen laten (de lezer neemt aan dat de man of vrouw niet voor niets hoogleraar in dat vak is en vermoedelijk geen onzin verkoopt), maar een hoogleraar rechtsfilosofie kan niet een eind voor het vaderland weg preken op andermans vakgebied, zonder te laten zien dat hij zich daar grondig in heeft verdiept.

Ik ben zelf ook geen pedagoog, maar gelukkig verschenen er in de afgelopen week maar liefst twee rapporten over kindermishandeling en één rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid over de jeugd van tegenwoordig, die de niet pedagogisch geschoolde wetenschapper in staat stellen de beweringen van Kinneging te checken.

Kinnegings eerste gebod luidde: Gij zult niet echtbreken, want alleenstaand ouderschap is slecht voor de kinderen. Voor dit gebod bestaat inderdaad enig bewijs. Kinderen van alleenstaande ouders zijn vaker slachtoffer van verwaarlozing en kindermishandeling dan kinderen uit standaard gezinnen, zo blijkt uit de rapporten van de Vrije Universiteit en de Universiteit Leiden. Voor een deel hangen die effecten echter samen met het feit dat alleenstaande ouders vaak arm zijn en werkloos.

De WRR bespreekt een Amerikaans onderzoek naar alleenstaande niet-werkende moeders. Een deel van hen kreeg extra inkomen aangeboden, een ander deel kreeg inkomensondersteuning en werd daarnaast aan een baan geholpen. Na drie jaar hadden de kinderen van de moeders die aan het ‘arbeidstoeleidingsprogramma’ meededen, minder gedragsproblemen en betere rapportcijfers op school. Ook waren de werkende moeders betere ouders geworden, die meer dan voorheen toezicht uitoefenden op hun kind en beter wisten waar het gedurende de dag was.

Kinnegings tweede gebod was: Gij zult als ouders zo min mogelijk werken; bij voorkeur werkt een van de ouders helemaal niet. Voor deze stelling is geen schim van bewijs. De WRR meldt dat de jeugdgezondheidszorg minder problemen signaleert bij kinderen van tweeverdieners dan bij kinderen uit kostwinnersgezinnen „omdat de sociale horizon van de ouders verbreed wordt door deelname aan het arbeidsproces.” De onderzoekers uit Leiden noemen een laag opleidingsniveau en werkloosheid de grootste risicofactoren voor kindermishandeling.

Pedagoog Micha de Winter wijst in zijn bijdrage aan het WRR-rapport op het belang van moreel voorbeeldgedrag. Kinderen zijn bereid zich te verdiepen in de Tachtigjarige Oorlog of de werkwoordspelling als volwassenen het goede voorbeeld geven. Kinderen moeten ’s ochtends naar school en volwassenen gaan naar hun werk. Niet alleen om carrière te maken, niet omdat zij zich daar zo nodig moeten ontplooien en zelfs niet alleen omdat er brood op de plank moet zijn, maar ook om een bijdrage te leveren aan de maatschappij. Er moeten zieken worden verzorgd, er moet brood worden gebakken, branden geblust, kozijnen getimmerd en boekhoudingen gecontroleerd. Dat is wat volwassenen doen en daar zien goed opgevoede kinderen de redelijkheid van in.

P.A.H. van Lieshout et al. Bouwstenen voor betrokken jeugdbeleid, via www.wrr.nl. De rapporten over kindermishandeling zijn te vinden op www.leidenuniv.nl en www.vu.nl.

Eerdere columns van Margo Trappenburg op www.margotrappenburg.nl