Pas op de afstap

Vorige week zag ik in een theaterfoyer een bejaarde vallen. Gelukkig was er geen ernstig letsel, dus was de weg vrij om te genieten van het fascinerende spektakel dat vallen en opstaan biedt. De later die avond bezochte voorstelling kon mij een stuk minder boeien.

Toen ik zelf nog wel ’ns toneelspeelde, droomde ik de nacht voor de première steevast over vallen. In een prachtige jurk, middenin een versvoet van Corneille, genadeloos struikelen over een elektriciteitskabel. Mijn allergrootste nachtmerrie. Elk greintje waardigheid is meteen verdwenen. Beelden van vallende hoogwaardigheidsbekleders worden niet voor niets eindeloos herhaald. Het totale verlies van decorum als iemand letterlijk onderuit gaat, is zowel gruwelijk als fascinerend om naar te kijken.

Alleen kinderen en dronkelappen kunnen ter aarde storten zonder grotere gevolgen dan een pleister of een pijnlijke enkel (die zich meestal pas openbaart als de roes is uitgeslapen). Voor de rest van de mensheid – nuchter en de dertien gepasseerd – is vallen een gecompliceerde aangelegenheid. Naast de schok, de pijn en de vernedering, zijn er ook nog de toesnellende – zogenaamd hulpvaardige – sensatiezoekers met wie gedeald moet worden. De meeste slachtoffers verbergen hun gevoelens van ongemak en schaamte snel achter een glimlach („Wat een stomkop ben ik toch, niks aan de hand hoor”). De vrouw in de theaterfoyer gooide het over een andere boeg en maakte zich buitengewoon kwaad over de boosdoener; een afstapje van zo’n twee decimeter. Luidkeels liet ze weten dat dat niet zomaar kon. Daar moest toch minstens een bordje bij. Het plakkaat naast haar, een meter breed, waarop met koeienletters ‘Pas op de afstap’, negeerde ze met flair.

Ooit woonde ik in een souterrain. Het trapje omlaag lag in de herfst vol natte, spekgladde bladeren. Toen ik op een donkere, eenzame nacht laat thuis kwam (toegegeven, dat laatste glas had ik beter kunnen laten staan) gleed ik daar genadeloos over uit. M’n stuitje knalde op een tree, mijn benen lagen oncharmant tegen de voordeur geknakt. Na wat theatraal, zelfmedelijdend gesnik, ben ik toch maar m’n sleutels gaan zoeken en gaan slapen. Vallen zonder publiek is ook best treurig.

Roos Ouwehand