Nederland, o Nederland, kom op voor je drugsbeleid

De premier van België heeft onlangs via een brief kritiek geleverd op ons drugsbeleid.

Een goede gelegenheid om eindelijk een zelfbewust standpunt in te nemen.

Er is een lange geschiedenis van buitenlandse kritiek op en pogingen tot beïnvloeding van het Nederlandse drugsbeleid. Van de Zweedse boycotdreiging in de jaren tachtig, via de gezamenlijke afkeuring door Chirac en Kohl, via kleinere veroordelingen vanuit Ierland, Duitsland en Italië, tot het daadwerkelijke bezoek van de Amerikaanse drugsbestrijder Barry McCaffrey. En nu is er dus de boze brief van Guy Verhofstadt, de minister-president van België, die op hoge, moreel verontwaardigde toon eist dat Nederland zijn drugsbeleid wijzigt.

Opvallend is dat er in die lange geschiedenis nooit sprake is geweest van een gecoördineerde actie tegen Nederland. Niet via de Europese Unie, niet via de Verenigde Naties. Het waren altijd geïsoleerde campagnes, voortgedreven door onbewezen beweringen die door goed geïnformeerde mensen eenvoudig waren te weerleggen. Hoe valt dat gebrek aan coördinatie te verklaren?

Het antwoord is simpel: als een goed debat plaatsvindt over het drugsbeleid van verschillende EU-landen, komt Nederland er altijd goed uit. Een wetenschappelijke onderbouwing van de voordelen van een repressief drugsbeleid ontbreekt. En dus moeten de voorstanders van zo’n beleid het over een andere boeg gooien, die van de retoriek.

En hoe reageert Nederland daarop? Tot dusver heeft ons land bij die geïsoleerde conflicten steeds een beetje toegegeven. In allerlei vormen van overleg is men met veel moeite uitgekomen op tegemoetkomingen van beide zijden, en werd het conflict gesmoord. Tegelijkertijd wordt ironisch genoeg in de meeste EU-landen overwegend gematigd opgetreden tegen drugsgebruikers en het bezit van drugs voor eigen gebruik. Met andere woorden: het Nederlandse gedogen is in de praktijk wijd verspreid geraakt. Maar zodra er mediaopwinding is over drugs spreken politici zich graag officieel uit voor hardere repressie.

Gelukkig doet burgemeester Gerd Leers van Maastricht daar niet aan mee. Principieel blijft hij op de bestuurlijke praktijk gebaseerde argumenten aanvoeren opdat er een serieus debat over het drugsbeleid wordt gevoerd. De Gentse criminoloog Brice de Ruyver reageerde vorige week vrijdag in Netwerk in scherpe bewoordingen op Leers. „De kardinale denkfout die Leers maakt, is dat hij meegaat in de logica van de criminele organisaties die maar één doel voor ogen hebben, en dat is platte winst maken (…). Het organiserend element van de criminele organisaties zit aan de achterdeur van de coffeeshops.”

Juist als criminoloog zal De Ruyver toch wel begrijpen dat criminele organisaties ‘aan de achterdeur van de coffeeshops’ zitten, mede dankzij het Belgische drugsverbod? En hoe verklaart hij dat het gebruik van cannabis in het land van de coffeeshops niet veel hoger, maar in feite iets lager ligt dan in België?

Belangrijk om te onthouden is dat dertig jaar Nederlands cannabis- en coffeeshopbeleid vooral zo aanstootgevend is omdat het heeft aangetoond dat een cannabisverbod zinloos en schadelijk is. Zie daar de werkelijke reden dat de coffeeshops dicht moeten. Het lijkt erop dat De Ruyver cum suis juist dát hopen te bereiken met de opgeblazen toestand rond de verplaatsing van coffeeshops. Welbeschouwd zou echter deze Belgische kritiek op Nederland juist tot steun aan Leers moeten leiden, in diens streven ook de teelt van cannabis te reguleren.

Al met al komt Nederland nu in de positie waarin het moet kiezen. Of openlijk buigen voor een ongefundeerde aanval op zijn drugsbeleid, of een zelfbewust standpunt innemen. Gelukkig wordt dat laatste ons gemakkelijk gemaakt door de zwakke positie van waaruit België en anderen ons steeds weer aanvallen.

Dat de Nederlandse regering tot nu toe geen debat wil voeren over het drugsbeleid (toenmalig minister van Justitie Donner zei letterlijk dat hij aan zo’n debat „geen behoefte” had), is niet alleen laakbaar maar, nu een principiële beslissing moet worden genomen, zelfs onacceptabel. Wanneer de Nederlandse regering blijft weigeren zich over zijn positie te beraden en zonder behoorlijke argumentatie het Nederlandse coffeeshopbeleid verzaakt, is er simpelweg sprake van onbehoorlijk bestuur.

Freek Polak is psychiater en bestuurslid van de Stichting Drugsbeleid. Van 1990 tot 2003 was hij parttime werkzaam bij de drugsafdeling van de GGD Amsterdam

Meer over drugs in de EU op emcdda.europa.eu, site van de European Monitoring Centre for Drugs and Drug Addiction

Lees de weblog van burgemeester Gerd Leers op maastricht.nl/maastricht/ show/id=160045