Medeplichtig aan het debacle in Irak

Wie gelooft het nog? Dat het tij in Irak eindelijk begint te keren? „De Amerikaanse troepen in Bagdad boeken geleidelijk aan vooruitgang, iedere dag een beetje, huizenblok na huizenblok.” Als het klopt zou het groot nieuws zijn. Maar het heeft weinig opzien gebaard – zo betrouwbaar was de bron van deze informatie kennelijk niet.

Het waren woorden van president Bush. Hij zei het eind vorige week, een paar dagen na een reeks zelfmoordaanslagen in Bagdad, waarbij meer dan tweehonderd mensen om het leven kwamen. De oorlog is verloren, had de leider van de Democraten in de Senaat, Harry Reid, daarop gezegd. Maar zover is het Witte Huis nog lang niet.

Hoeveel Amerikanen zouden nog geloven wat hun president zegt over Irak? De scepsis overheerst. En hoe kan het ook anders, na alles wat de afgelopen jaren bekend is geworden over de valse voorwendselen waaronder de oorlog is begonnen? Zelfs als Bush deze keer wel gelijk heeft, en de inzet van extra troepen in Bagdad zou werkelijk beginnen aan te slaan, dan nog zal hij op veel argwaan stuiten.

Maar niet alleen de president heeft veel geloofwaardigheid verspeeld. Hoe pijnlijk de vrije pers het heeft laten afweten, vooral in de aanloop naar de oorlog, begint pas langzaam tot het land door te dringen. Ooit trotse en gerespecteerde media, inclusief The New York Times, The Washington Post en CNN, verzuimden om kritische vragen te stellen over de redenen voor de oorlog. Ze namen al te vaak voor zoete koek aan wat de regering beweerde. En ze maakten zich zo medeplichtig aan het debacle dat zich nu voltrekt.

Het is ontluisterend om terug te zien hoe dat ging, vier jaar geleden. De Amerikaanse publieke televisie zond er deze week een documentaire over uit, Buying the War, die in zijn geheel op internet te bekijken is. Het idee achter het programma is dat er al veel is gezegd en geschreven over wat de regering allemaal heeft uitgehaald om de oorlog aan het publiek te ‘verkopen’. Maar dat nog onvoldoende onderzocht is waarom de media zich zo hebben laten gebruiken, waarom ze, een enkele uitzondering daargelaten, de ondeugdelijke argumenten voor de oorlog zo kritiekloos hebben doorgegeven.

Je ziet een lacherige persconferentie, twee weken voor het begin van de invasie. Geen van de journalisten trekt de motieven voor de aanstaande oorlog in twijfel. Een van hen vraagt wel hoe de president steun vindt in zijn geloof.

Je ziet de nestor van de Amerikaanse televisiejournalistiek, Dan Rather, kort na ‘11 september’ bijna in tranen zeggen dat hij zal aantreden waar de president maar wil. Je ziet het toenmalige hoofd van CNN, Walter Isaacson, berouwvol vertellen dat iedereen bang was dat je patriottisme in twijfel getrokken zou worden als je iets zei wat niet strookte met de lijn van de regering. En je ziet een parade columnisten op tv met grote stelligheid de noodzaak van de oorlog aanprijzen, door met allerlei ‘onomstotelijke feiten’ te schermen die – weten we nu – nergens op gebaseerd waren.

Veel hiervan was al bekend. En verschillende grote media hebben de afgelopen jaren ook al spijt betuigd over hun falen. Maar de opeenstapeling van wanprestaties en zelfkritiek in deze documentaire benadrukt dat het niet alleen een reeks blunders was, maar een collectieve verstandsverbijstering waaraan de pers na het trauma van ‘11 september’ ten prooi viel.

Vrijwel de enigen die het hoofd koel hielden waren de journalisten van Knight Ridder, een concern met veel kranten in het land, maar niet één in Washington en New York. De nuchtere vraagtekens die zij hardnekkig bij de argumenten voor de oorlog bleven plaatsen, vielen daarom bij de spraakmakende gemeente niet op.

Niet alleen de pers verzaakte zijn kritische rol. Ook de befaamde denktanks met hun geleerde tijdschriften en batterijen experts op het gebied van defensie en buitenlandse politiek lieten het afweten, net als de meeste deskundigen van de universiteiten en de specialisten binnen de regering en ambtenarij. Doorgaans zorgen zij met zijn allen, van journalisten tot geleerden, voor het soort genuanceerde debat waar Washington trots op is.

Zij vormen samen het ‘rationele centrum’ van nuchtere kennis, deskundigheid en kritische analyse dat – zeker in tijden van crisis – onontbeerlijk is voor de Amerikaanse buitenlandse politiek, stellen Stefan Halper en Jonathan Clarke in hun onlangs verschenen boek The Silence of the Rational Center. Maar juist toen het er het meest op aankwam, viel dat rationele centrum stil.

Halper en Clarke zoeken de oorzaak deels bij de manier waarop de media functioneren: met steeds meer nadruk op emotie, instantopinie en strijdbaar debat.

Maar dat is slechts een deel van de verklaring. Ze leggen de schuld vooral bij de ontvankelijkheid die Amerikanen, ook journalisten en analisten, van oudsher hebben voor grote ideeën: van de gedachte dat Amerika de wereld van het kwaad kan bevrijden, tot de dominotheorie tijdens de Vietnamoorlog, de botsing van beschavingen van Huntington en ten slotte de overtuiging dat de omverwerping van Saddam Hussein een democratisch Midden-Oosten zou inluiden. Pakkende leuzen, maar ze overstemmen al snel iedere poging de complexe werkelijkheid te begrijpen.

Het rationele centrum begint zich inmiddels weer te herstellen, schrijven Halper en Clarke. De pers heeft zijn argwaan hervonden. Er is weer inhoudelijk debat. Het Congres durft zich weer te roeren. En de regering trekt zich zelfs af en toe weer wat aan van haar eigen specialisten.

Het kan zijn. Maar de geloofwaardigheid van al die scherpe geesten die schrijven, nadenken en meepraten over Amerika’s rol in de wereld blijft zwaar beschadigd. Hun gezag kunnen ze alleen stap voor stap terugwinnen, huizenblok na huizenblok, iedere dag een beetje.

Juurd Eijsvoogel is redacteur van NRC Handelsblad

Bekijk Buying the War via www.nrc.nl/weblog/wereld