Leven is vechten om een zitplaats

Dezsö Kosztolányi: De bekentenissen van Kornél Esti. Uit het Hongaars vertaald door Mari Alföldy. Van Gennep, 285 blz. € 22,50

‘Ik wil schrijver worden. […] Ik wil een schrijver worden die op de poorten van het bestaan bonkt en het onmogelijke probeert. Wat zich onder dat niveau bevindt, daarvoor heb ik minachting…’

Deze, overigens niet hardop uitgesproken ontboezeming is van de jonge Kornél Esti die na zijn eindexamen de wereld gaat verkennen en in een donkere coupé in een nachttrein zijn eerste kus beleeft. Een afschuwelijke kus, die zijn adem doet stokken. Plotseling voelt hij iets in zijn mond wroeten, zwaar en nat als een vaatdoek, dik en stijf als een bloedzuiger die niet los wil laten: de tong van de idiote dochter van zijn elegante reisgenote.

Bijgekomen van de schrik blijft bij Esti een diepe ontroering over het incident bij, en compassie voor deze moeder – heel kenmerkend voor zijn schepper, de Hongaar Dezsö Kosztolányi (1885- 1936). Onder het motto 'vertel het leven zelf’, en gewapend met een nauwgezette stijl, zou Kosztolányi – een van de grootste lyrische dichters van zijn tijd – uitgroeien tot de alfa en de omega van het moderne Hongaarse proza. Zonder overdrijven: Kosztolányi heeft een beslissende invloed gehad op het schrijverschap van alle levende of dode Hongaarse auteurs met wie het Nederlandse publiek recent nog kennis heeft gemaakt. De fijnzinnige stijl van Sándor Márai, de filosofische twijfels van Géza Ottlik over de vraag of de volledigheid van het bestaan in taal kan worden uitgedrukt, het thema van de machtsverhouding tussen baas en bediende dat terugkomt bij Magda Szabó en Péter Nádas – het vindt allemaal zijn oorsprong in Kosztolányi’s oeuvre.

De bekentenissen van Kornél Esti is, als zoiets al mogelijk is, een synthese van Kosztolányi’s levenswerk. Op de omslag van deze vertaling staat ‘roman’. Hoewel er ongetwijfeld argumenten voor zijn, ben ik het niet eens met deze aanduiding. Tussen 1925 en 1936, het jaar van zijn dood, schreef Kosztolányi ongeveer veertig stukken van verschillend genre – verhalen, grotesken, schetsen, satires, columns – waarin het personage Kornél Esti voorkomt. Zo nu en dan is Esti zelf – in de eerste of derde persoon – de held, maar in sommige van de stukken wordt hij louter als verteller opgevoerd.

Tussen burger en artiest

In 1933 bundelde Kosztolányi 17 van deze verhalen en schreef er ter inleiding een bij. Zo vormde zich een geheel rondom Kornél Esti, een sprekende naam. De voornaam Kornél is typisch voor een grootstedelijk figuur, iemand tussen burger en artiest in, terwijl Esti (letterlijk: ‘van de avond’) een soort rijpheid van de oude dag in zich draagt.

In verschillende opzichten lijkt Esti het alter ego van Kosztolányi. In het bewuste eerste hoofdstuk wordt hij zelfs voorgesteld als een soort ‘Mr. Hyde’, precies op dezelfde dag, hetzelfde moment geboren als Kosztolányi, iemand die de eigenschappen en zelfs het uiterlijk van de schrijver in bezit heeft genomen: de ouderwetse, hoge open kragen en smalle gele stropdassen. In dit hoofdstuk is Esti ook een durfal, een brutale vlerk, een lieve en soms wrede schurk die alle conventies aan zijn laars lapt – de grenzeloze, de zoekende, die Kosztolányi, maar wellicht zelfs ieder van ons, graag zou willen zijn. Maar Esti’s practical jokes (zoals: vraag een blinde bedelaar om een stofje uit je oog weg te halen) zijn wel typerend voor Kosztolányi die, samen met zijn boezemvriend en collega, de humorist Frigyes Karinthy een berucht figuur was in de Boedapestse ‘society’.

Aangezien het karakter zich niet ontwikkelt zoals in een klassieke roman, krijgt de lezer in de verschillende hoofdstukken waarin Esti de hoofdpersoon is, te maken met telkens andere aspecten van zijn persoonlijkheid – en tegelijkertijd met Kosztolányi’s meest gekoesterde idealen. Zijn hartstocht voor de Hongaarse taal – Kosztolányi stelde bijvoorbeeld een lijst samen van de mooiste Hongaarse woorden – blijkt onder meer uit hoofdstuk zeven, waarin Esti ruimhartig vergiffenis schenkt voor honderdvijftig jaar bezetting in ruil voor driehonderd dertig prachtige Turkse woorden die de Hongaarse woordenschat verrijken. Het kader is wederom een treinreis, waar hij de eersteklascoupé deelt met drie Turkse vrouwen. Het zijn een grootmoeder, een moeder en een dochter, die zich ijverig spiegelen aan de West-Europese cultuur. Vooral moeder en dochter hebben behoefte aan erkenning voor hun inspanningen; grootmoeder slaapt. ‘In haar slaap sprak ze Turks. Haar hand […] hield ze soms nerveus voor haar gezicht om het te bedekken, want zij had het grootste deel van haar leven nog een sluier gedragen en moet zelfs in haar slaap hebben gevoeld dat haar gezicht onbetamelijk bloot was.’ In een kleine vier bladzijden vat Kosztolányi het wezen van de begrippen toenadering en cultuurkloof met veel empathie samen.

Cassandravoorspelling

Een pendant van het enthousiasme van de Turkse vrouwen voor Europa is de vervoering die Esti zelf voor Duitsland voelt. Swift en Voltaire komen even om de hoek kijken in dit hoofdstuk over Esti’s studententijd in Duitsland, waarin de voorzitter van een belangrijke culturele vereniging ‘door het hele hoofdstuk heen slaapt’. Bij het verschijnen van de Duitse vertaling, twee jaar geleden, van deze bundel vatte een recensent dit verhaal uit 1933 op als een soort Cassandravoorspelling; Hindenburg zat immers ook te slapen toen Hitler de macht naar zich toetrok.

Maar Kosztolányi is geen pamflettist. Alle hoofdstukken gaan over ‘het leven zelf’, de gemoedsbewegingen ten gevolge van menselijke interactie. Dankbaarheid die lastig wordt, is een telkens terugkerend onderwerp. Het onvermogen om iemand wezenlijk te helpen en de wijze waarop machtsverhoudingen onverwacht uit het lood slaan, worden duidelijk als Esti, om zijn geweten te stillen, een weduwe poogt te redden van haar lot, de ondergang. Of als hijzelf van de verdrinkingsdood wordt gered. De gevolgen zijn verbijsterend.

Grotesk zijn ook de ideeën over de ‘eerlijke stad’ waar iedereen zo rechtdoorzee is dat de lezer acuut terugverlangt naar de echte wereld die, hoe huichelachtig ook, tenminste af en toe onderhoudend en aangenaam is. Of over de moeite die Esti zich getroost om van een grote erfenis af te komen. Waarmee de lezer dubbel beetgenomen wordt – Esti wil alleen maar weten of zijn zeer onvoorstelbare verhaal geloofwaardig overkomt. Ja, dus.

Kosztolányi speelt met de ernst van het leven, maar is ernstig in zijn spel. De variaties die het leven zelf kan bieden, zijn niet te overtreffen en manen tot bescheidenheid. Het laatste hoofdstuk gaat opnieuw over een reis, een tramrit deze keer, en staat symbool voor het verloop van het mensenleven. Het leven is niets dan een voortdurende strijd om je plaats – een zitplaats – te bevechten. Een cliché, maar zo simpel is het. Je krijgt heel wat te incasseren, hebt geluk nodig, maar ook strijdlust; grijp je kansen en geniet van wat je bereikt hebt, want voor je het weet, ben je op het eindpunt beland.