Langzaam als geuzennaam

De films van de Berliner Schule zijn traag vergeleken bij alles wat uit Hollywood komt. Maar precies dat levert fascinerende films op over de ingeslapen levens van de Europese middenklasse.

Het ging hard tegen hard, begin dit jaar in de Duitse filmwereld. Binnen een paar weken lag iedereen met elkaar in de clinch: producenten, bobo’s, regisseurs en recensenten. In landelijke kranten verschenen bevlogen artikelen over nut en nadeel van de filmkritiek. Zelfs directeur Dieter Kosslick van het Filmfestival Berlijn werd er zenuwachtig van. Hem wordt al jaren verweten weinig op te hebben met de grote Duitse publieksfilm. Hij zou vooral oog hebben voor de artistiekere films van de zogenoemde Berliner Schule. Hoe welgevallig was hem een relletje aan de vooravond van de Berlinale?

Daar hebben we meteen de twee hoofdschuldigen: de filmkunst en de filmkritiek. Dit weekend verplaatst de discussie zich even naar Nederland, waar de 25-jarige Kring van Nederlandse Filmjournalisten besloot filmmaker en Berliner Schule-voorman Christian Petzold uit te nodigen als eregast van z’n lustrumviering. Want de parallellen tussen Duitsland en Nederland zijn opmerkelijk. Ook hier krijgt de filmkritiek ervan langs als ze durft te twijfelen aan het artistieke gehalte van grote publieksfilms. Maar belangrijker: ook Nederland heeft filmmakers als Nanouk Leopold, David Lammers en Margien Rogaar die affiniteit vertonen met het filmische idioom van Petzold en zijn geestverwanten. Drie van zijn films worden daarom zaterdag 28 april in het Amsterdamse Ketelhuis vertoond, gevolgd door een openbaar interview met de regisseur van Die innere Sicherheit (2000), Gespenster (2005) en Yella (2007). Het werd hoog tijd. Want op een enkele festivalvertoning na ging de nieuwe Duitse filmbeweging tot nu toe aan de Nederlandse bioscopen voorbij.

De Duitse opschudding ontstond nadat Günter Rohrbach vorig jaar de knuppel in het hoenderhok gooide. Ooit schreef hij filmgeschiedenis als producent van Fassbinders Berlin Alexanderplatz. Tegenwoordig is hij president van de Deutsche Filmakademie. Die werd in 2003 opgericht met als doel een nationaal platform voor de Duitse film te vormen. Voorlopig houdt de Akademie zich voornamelijk bezig met het uitreiken van de Lola’s, de belangrijkste Duitse filmprijzen, dit jaar op 4 mei aanstaande.

„Hoe is het toch mogelijk dat Das Parfum van Tom Tykwer door de pers min of meer wordt afgekraakt, maar wel 5 miljoen bioscoopkaartjes verkoopt, terwijl een film als Sehnsucht van Valeska Grisebach unaniem de hemel in wordt geprezen en vervolgens maar enkele tienduizenden bezoekers trekt”, vroeg Rohrbach zich af in een geruchtmakend artikel in Der Spiegel met als kop ‘Het mokken der autisten’. Filmcritici omschreef hij daarin als ‘pirouettedraaiers’, mijlenver afgezwenkt van wat het gewone publiek zou willen.

Het kan verkeren. Begin jaren tachtig lag Rohrbach zelf onder vuur, toen de Bild Zeitung de frontale aanval op Fassbinder opende. Het ‘moeten wij hier belastinggeld aan uitgeven?’ van toen is eenzelfde populistisch argument als de bezoekersaantallen die Rohrbach nu in de strijd gooit.

Het is zo niet eens zo lang

geleden dat Tom Tykwer met Lola rennt (1998) zelf als de nieuwe hoop van de Duitse film werd binnengehaald. Zijn productiehuis X-Filme wilde films maken die én persoonlijk waren én een groot publiek konden aanspreken. Een mooi ambitieus streven. Dat door de filmgeschiedenis weersproken wordt. Want hoewel er over de hele wereld voorbeelden te vinden zijn van films die commercieel succesvol waren en artistiek waardevol, is het een filmmaker zelden gelukt die garantie op voorhand af te dwingen.

In een kleine filmcultuur als de Nederlandse, die voor bijna elke film een beroep moet doen op de subsidiepot, zien we ook dat ‘succes’ zelden gelijktijdig artistiek en commercieel betekent. Het gaat in golfbewegingen. Het ene moment zijn alle inspanningen erop gericht om bezoekersrecords te breken. En de volgende keer huilen de wolven in het bos dat het weer niet gelukt is een film in het hoofdprogramma van Cannes te krijgen.

In 2003 ontdekten Franse filmcritici op de Berlinale de Duitse film Milchwald van Christoph Hochhäusler en het jaar erop Angela Schanelecs Marseille in Cannes. Na een enthousiast artikel in de Cahiers du cinéma was de Nouvelle Vague Allemande geboren. De Duitse filmkritiek had het liever over de Berliner Schule. Het was namelijk niet toevallig dat de drie grote namen van de nieuwe stroming – naast Schanelec (1962) ook Thomas Arslan (1962) en Christian Petzold (1960) – gelijktijdig aan de Deutsche Film- und Fernsehakademie Berlin hadden gestudeerd.

Maar wat is het dan? Die Franse touch? Net als hun Franse voorlopers van de echte Nouvelle Vague gaat het om een reactie op een ‘cinéma de papa’. Maar meer dan door de films van Jean-Luc Godard en François Truffaut zijn de Berlijners beïnvloed door de lege blik van de personages van Robert Bresson of de worsteling met het begrippenpaar bourgeois-bohémien uit de films van Philippe Garrel. Net als Tykwer hadden ze genoeg van de Duitse komedies uit de jaren negentig. Maar ze hoefden ook niet zo nodig als Tykwer zelf die markt met publieksvriendelijke, intelligente films te bestormen. Gewoon intelligent was genoeg. En daar zit ‘m natuurlijk de kneep. Leve de vooroordelen! Want intelligent, is dat niet moeilijk? En moeilijk, is dat niet box office poison?

Hoe verdedig je films

die in het internationale festivalcircuit furore maken tegen kritiek als die van generatiegenoot Oskar Roehler (van de Houellebecqverfilming Elementarteilchen) dat ze „preuts zijn, en streng”? Dat er „eigenlijk niets in gebeurt”? Dat ze „langzaam zijn en triest en [dat er] nooit werkelijk iets in gezegd wordt”? Is dat niet precies hoe je ook die toonaangevende films uit Iran en Zuidoost-Azië kunt omschrijven die prijs na prijs winnen en worden geprezen om hun radicaliteit, hun vermogen om in beelden verhalen te vertellen en de toeschouwer weer te laten kijken en ontdekken in plaats van hem alles voor te kauwen?

Maak van langzaam een geuzennaam!

Het is waar: de films van de Berliner Schule zijn langzaam. Althans als je ze vergelijkt met de stroboscopische flitslichtmontage die dankzij MTV in Hollywood de dienst uitmaakt. Ze zijn langzaam omdat ze uit minder shots bestaan, die langer worden aangehouden. Tergend lang soms, zodat je het gevoel krijgt dat de tijd en de ruimte waarin de hoofdpersonen zich bewegen zwaar en stroperig is. Gesmolten lood. En dat is ook precies wat Petzold en co. ons willen laten ervaren.

In de woorden van Angela Schanelec: „Ik heb me afgevraagd wat er gebeurt als je de zogenaamde normaliteit probeert af te beelden.” De films van de Berliner Schule geven het antwoord. Ze tonen de horreur van de normaliteit, van de ingeslapen levens van de Europese middenklasse, die tegelijkertijd door de nieuwe economie een verdwijnende klasse is, met het daarbij behorende verdwijnen van gemeenschappelijke idealen en waarden. Ze ontmaskeren de consumptiemaatschappij met z’n gemakzucht die de mens tot slaapwandelende zombie heeft gemaakt.

Moeilijk? Net zo moeilijk als de wereld om ons heen.

Ze zijn realistisch op een manier die tegelijkertijd zowel neo-, hyper-, super- als surrealistisch is. Net als de Dogma-films die Lars von Trier tien jaar geleden bedacht, stellen de Berlijners zich strenge stilistische eisen: geen grote dramatische verhalen, maar een dramaturgie van het moment, de camera vertelt, en de montage regeert, de muziek zwijgt en de (vaak amateur-)acteurs kijken en kijken en kijken en roepen met hun blik bij de toeschouwer de vertelling op.

Het is alsof ze de camera op je eigen tutterige burgerbestaan richten en zeggen: kijk eens, kijk eens goed, is dat wat je wilt, leven met gesloten ogen? Ze tonen een werkelijkheid waarin de mens vervreemd is van zichzelf en zijn omgeving. Hij is een kantoorslaaf of een handelaar in cryptische patenten, verdient geld met telefoneren en de computer aanzetten. Zijn landschap is het high tech industrieterrein. Zijn architectuur is de ondoordringbaar spiegelende kantoortoren. Zijn huis is een glimmend witte kopie van een interieurtijdschrift waarin nooit een gebruikt kopje op de ontbijttafel is blijven staan omdat men nooit tijd heeft om te ontbijten. Hij rijdt door een landschap van benzinestations en lintbebouwing, in zijn BMW, Volkswagen of Audi. Als het allemaal niet zo Duits was, was het Amerikaans, het spooklandschap van het globalisme.

Niet voor niets

kiest Christian Petzold ervoor om veel scènes in auto’s te draaien. Hij omschrijft ze als tijdscapsules of decompressieruimtes. Het zijn de enige plekken waar zijn personages zich veilig voelen: achter het stuur van hun eigen leven. Maar ook dat niet helemaal. De thriller Wolfsburg (2003) is gesitueerd in de thuishaven van de Volkswagenfabrieken, maar het is ook de door de nazi’s gestichte Autostadt, en de later door de Amerikanen bezette stad. Al die spoken (Gespenster heette Petzolds volgende film in 2005) dolen door je hoofd als je er naar kijkt. Zijn nieuwste film Yella speelt zich zelfs helemaal af in een tussenwereld. Maar wel een messcherpe tussenwereld, echter dan echt. Het is duidelijk dat Petzold zich door Hitchcock en genrefilms laat beïnvloeden, maar hij beent ze helemaal uit.

Deze filmmakers rekenen op een heel andere manier af met het Duitse verleden dan de regisseurs van films als Goodbye, Lenin!, The Edukators, Der Untergang of Das Leben der Anderen. Zij zijn nog van de generatie dat er schaamte was, en dat niet zomaar alles gezegd kon worden, en dat het zeker nog niet om te lachen was. Toch zijn ze meer dan de Duitse Generatie Nix, omdat er met goed gevoel voor filosofie en traditie ook uit de zinloosheid nog zin gepeuterd moet worden.

Hun geheim is de catharsis. In de meest klassieke zin. Want zoveel troosteloosheid blijf je als toeschouwer natuurlijk niet zomaar gehypnotiseerd bekijken als je er niet iets voor terugkrijgt. Catharsis dus, loutering. Die esthetisch zelfverzekerde, perfect gekadreerde, statische shots, dat feilloze gevoel voor noodlot en levensangst, door dat als toeschouwers collectief in het bioscoopdonker te ervaren wordt de werkelijkheid echt schoongewassen. Met het risico dat ze nog bedrieglijk blinkender en bleker tevoorschijn komt dan ze al werd afgespiegeld. Maar dat risico moeten we dan maar nemen. En anders hebben we tenminste de werkelijkheid even kunnen bekijken.

Zaterdag 28 april zijn in het Ketelhuis in Amsterdam drie films van Christian Petzold te zien: ‘Die innere Sicherheit’, ‘Gespenster’ en ‘Yella’, gevolgd door een openbaar interview met de regisseur. Voor meer informatie: www.ketelhuis.nl