Katja's dagboek

Wat vooraf ging: Katja en Tjalling zijn per helikopter aangekomen op de kliffen. Vinden ze nu dan eindelijk Sebastiaan terug?

Tjalling en ik klauterden over de rotsen. Hijgend kwamen we boven aan. Daar stond een strandstoel. Er zat een paars meneertje in. Hij was erg klein. Hij had puilogen waarmee hij ons aanstaarde. Wij staarden terug.

Maar ineens zag ik iets bewegen. Er hing iets aan de rand van de klif, leek het wel, het verscheen… en het verdween weer. En het kwam weer tevoorschijn. En daar was het alweer weg. Iets was daar aan het schommelen. Iets slingerde daar heen en weer, en piepte daar vrolijk bij.

„Sebastiaan!” riep ik met overslaande stem.

Hij was het echt. Nog even wit, pluizig en lief als altijd, met zijn lange snorharen, zijn trillende neusje, zijn scherpe tanden en zijn kale staart. De tranen sprongen me in de ogen. Ik rende naar de rand van de rots en viel op mijn knieën. Oef.

De klif was duizelingwekkend hoog. De wind joeg erlangs, maar dat kon Sebastiaan zo te zien niet deren. Daar hing mijn beste vriend. Aan een klif. Levend en wel. Ik maakte van mijn handen een kommetje. „Kom maar. Spring maar in mijn handen. O, lieverd. Arme lieverd. Ik heb je zo gemist.”

Ik denk wel dat Sebastiaan me herkende. Hij keek, met zijn koppie scheef, even naar mijn handen. Daarna keek hij me aan. Maar hij kwam niet. Hij trok zijn neus op.

„Kom maar”, probeerde ik weer. Maar Sebastiaan had mij nergens voor nodig. Hij bungelde en zwiepte en sprong langs de rotswand. Hij had het reuze naar zijn zin.

„Zeg, wil je mijn rat met rust laten?” sprak een hortende blikken stem.

Achter me stond het paarse mannetje. Hij keek boos. Weer een eind achter hem stond Tjalling. Die was plotseling ook paars. En ook hij zag er boos uit. Lieve hemel. Begreep hij dan niet dat ik nu geen tijd had voor zijn fratsen?

„Uw rat?” riep ik. „Mijn rat, zult u bedoelen! U hebt hem van mij gejat! Onder valse voorwendselen heeft u hem bij zich gelokt. Terwijl ik alleen maar even op de Furbie-afdeling stond te… En daarna moest ik met die daar” -ik wees op Tjalling- „op pad, hopen ellende hebben we beleefd en… Maar wie bent u eigenlijk?”

De ogen van het mannetje leken nog groter te worden dan ze al waren. Hij boog en glimlachte nota bene, die vuile kidnapper.

„Mijn naam is Gee Punt Zet. Beter bekend als: Grus Zwaardvis. Ik ben de directeur van warenhuis de Wereld.”

Ik gaapte hem aan. Zijn mond verbreedde zich tot een rechthoek. Zijn tanden gingen op en neer als pianotoetsen en er klonk een liedje, als uit de reclame: Wa-ha-renhuis de Wéreld, want echt is ook maar nep! Je kunt hier alles ko-ho-hopen, zodat je alles hebt! Want wat echt is steekt, wat reeël is breekt, en alles gaat kapot… Het gaat allemaal stuk, dat is geen geluk, dus koop een nieuwe bij… Met gebalde vuisten stormde ik op hem af.

Wordt vervolgd