Ik in adem

Zanger en theatermaker Daniël Samkalden (28) besteedt het geld dat hij won met De Eerste Prijs aan een reis langs vier wereldsteden. Voor het Cultureel Supplement doet hij verslag. Vandaag de derde etappe: Tokio.

Ik blaas witte wolkjes uit. Mijn voeten liggen in mijn knieholtes. Mijn botten kraken. De eerste zonnestralen vallen in de tempeltuin. Ik zie het in mijn ooghoeken. Dikwijls ging ik om vijf uur ’s ochtends slapen, maar ik kan me niet herinneren dat ik ooit om vijf uur opstond zonder een trein of vliegtuig te moeten halen. Ik tel mijn ademhalen. Een. Twee. Drie. Vier. Vijf. Zes. Zeven. Acht. Negen. Tien. En opnieuw.

We verliezen uiteindelijk alles wat we hebben. Alles wat ons lief is. Onherroepelijk. Dat is een ondraaglijk idee voor hechtende zielen. We moeten inademen. En uitademen. Eén worden met het komen en gaan. Een. Twee. Drie. Vier. Vijf. Zes. Zeven. Acht. Negen. Tien. En opnieuw. We hebben te zijn. Vluchtig en onmetelijk klein, maar deel van alles.

Zoiets zei Kobo Daishi. Op de berg Koya, diep in de heuvels, diep in de bossen van Japan aan het begin van de negende eeuw.

Toen ik op het vliegveld van Tokio bij het verlaten van de bagagehal tegen een Starbucks Coffee aanliep, had ik er genoeg van. Alle grote steden vormen één kosmopolitisch geheel. Niks wereldreis. Ik maak een reis langs filialen van kapitalistische megaconcerns. Japan heeft de snelste treinen ter wereld. Kris kras heb ik het land doorkliefd. Oude steden, de kust, vulkanen, de meest gevaarlijke breuklijnen; alles omgezet tot commercie. Ik eindigde op deze berg in de bemoste voetsporen van Kobo Daishi. Hij kwam hier om tot bezinning te komen. Hij schreef hier gedichten, vijf boeken, bouwde honderd tempels en ontwikkelde zijn eigen religie. Ik snak naar een dergelijke productiviteit.

Ik adem uit. Zestien.

Dat kan niet. Er zijn drie gevaren bij het mediteren: slaap, schreeuwende spieren en gedachten. Gedachten zijn op zich niet erg, zei de monnik, als je ze maar weer laat gaan. Ik doe mijn best. Ik concentreer me op mijn adem en begin opnieuw, bij Een. De OHRA. De stomerij. Vergeten telefoontjes. Mijn belastingaangifte. Dingen die ik had moeten doen, maar niet heb gedaan. Dat zijn de gedachten die het meest hardnekkig terugkeren. Daar denk ik aan als ik op een kussentje op de vloer van een boeddhistisch klooster in de verlaten heuvels van Japan voor me uitstaar.

In een land waar de woorden van je afglijden en de mensen je onbegrijpend aankijken is de stap naar meditatie niet zo groot. Het meeste ging toch al langs me heen. De Japanse beschaving is van een fijnzinnigheid die ver buiten mijn bereik ligt. Zoals onhoorbaar hoge tonen die een hond doen janken. Zonder dat ik er erg in heb, heb ik mijn flesje in een bak voor groene blikjes gegooid, sta ik vooraan bij het stoplicht naast een zorgvuldig opgestelde rij wachtende mensen en loop ik met de slippers die bedoeld zijn voor de gang, de wc in. Er wordt heen en weer gerend om de schade die ik aanricht te beperken. Om de perfecte organisatie te herstellen. Ik glimlach op mijn vriendelijkst en buig. Zoveel mogelijk. Dat is altijd goed in Japan. Ik waggel door de straten met een verontschuldigende blik omdat ik weet dat ik waarschijnlijk ergens loop waar ik niet mag lopen.

Het zwarte vlekje op de vloer dat ik als richtpunt heb genomen, wordt een steeds grotere abstractie. Er omheen danst de mist. In strengere kloosters moet je als de slaap je bedwelmt, je hoofd op je schouder leggen. Er komt dan een monnik met een stok en die slaat drie keer hard in je nek. Het stootte mij af, maar het zou wel helpen. In mijn tempel kan ik bier bestellen bij het eten, is er een internethoek en wordt de geestelijke leiding overgedragen van vader op zoon.

Mijn spieren beginnen langzaam

te trillen. Ik ben fanatiek. Ik kan dingen lang en goed volhouden. Maar lang en goed zijn plotseling relatieve begrippen als je moet opgaan in het voortschrijdende alles. Ik zou überhaupt niet kunnen zeggen of we bijna klaar zijn of pas net begonnen. Wel lijkt het wat warmer te worden, maar het kan ook zijn dat ik het gevoel in mijn tenen ben verloren.

De tempel ligt op duizend meter. De lucht is ijl. De vroege ochtenden zijn helder en fris. In de dalen tiert de lente. Hangen de matten uit de ramen en bloeit de kersenbloesem. Spierwit en flinterdun. Als in Japan de kersenbloesem bloeit krijgen de scholen vrij en gaan alle Japanners onder de boom zitten. Tot de blaadjes na een dag of vier verslappen en met de wind op de grond dwarrelen. Kijkfeest, Hanami – een woord dat alleen maar uit Japan kan komen. Een weerman voorspelde de bloesem dit jaar een week te vroeg. Extra treinen werden ingezet, vaders namen hun vrije dagen op, ijsverkopers rukten uit, maar de knoppen bleven dicht. Op de televisie heeft hij zijn excuses gemaakt. In Nederland prikken we gewoon een vaste datum om gezamenlijk rond te gaan lopen met oranje hoedjes.

In de heuvels is er geen bloesem. De natuur is in rust. De sappen stromen nog niet snel genoeg. Het ritme is nog traag.

Soms lijkt er na een uitademing niets meer te komen. Alsof je kunt vergeten weer in te ademen.

Misschien is dat verlichting. Niet meer inademen.

Ze zeggen dat Kobo Daishi in de derde week van de derde maand van het jaar 835 op de leeftijd van tweeënzestig jaar in het bos, dat hier naast de tempel begint en zich oneindig ver uitstrekt, is begonnen aan een eeuwige meditatie. Hij wacht op de nieuwe Boeddha. Al 1172 jaar. Ik adem weer in; het is ’s nachts te koud en het kan niet goed zijn voor je enkels.

De monnik begint te zingen. Het uur is voorbij. Andere ijverige monniken zullen intussen bakjes met eten in mijn kamer hebben klaargezet. Rijst, tofu, zeewier, paddestoelen en sojasaus. Mijn ontbijt. Als je van tevoren een uurtje mediteert, kun je je erop gaan verheugen. Ik probeer mijn benen te ontwarren. Ze voelen gewichtloos en onhanteerbaar. Achter mij beginnen de Amerikanen die gisteren in een grote bus zijn aangekomen te lachen. Een van hen bergt zijn camera op. Hij heeft het hele uur opgenomen. Dat zal leuk terugkijken zijn, thuis met de hele familie. Ik ben hier voor echte bezinning. Voor mij ligt een hele dag. Ik kan gedichten gaan schrijven of een boek en misschien bouw ik wel een tempel.