Ik ben heel goed hoor

In Amsterdam is een expositie te zien van de Amerikaanse schilder John Lurie, ook bekend van film en muziek. „Het schilderen heeft me gered.”

John Lurie op het dak van het Plaza Hotel in New York foto René Burri/Magnum Photos/Hollandse Hoogte On the roof of the Plaza hotel. schilder, filmacteur en muzikant Magnum

John Lurie staat wijdbeens, voor zijn kookeiland vol met witplastic potten met pillen. Hij is zojuist opgesprongen van zijn stoel en wijst nu met een cynische lach naar zichzelf. Haar in de war, ongeschoren. Een verschoten zwarte trui. Een legergroene broek met zakken op de zijkant. Blauwgrijze pantoffels. „De Britse editie van Vogue noemde me een van ’s werelds honderd best geklede mannen! Ze moesten eens weten.”

Een gesprek met John Lurie bestrijkt een heel palet aan emoties. De New Yorker kent geen schaamte als hij zachtjes boert, is manisch als het om zijn werk gaat, praat agressief over eigenlijk de hele kunstwereld die hem in alles zou dwarszitten. En hij grossiert ook nog eens in zelfmedelijden.

Toegegeven, Lurie’s lot is niet benijdenswaardig. Ook al wordt zijn werk nu in Amsterdam geëxposeerd, de kunstenaar is al vijf jaar zo goed als opgesloten in zijn rommelige appartement op zes hoog achter in de New Yorkse wijk SoHo. Hij is ziek, heeft de ziekte van Lyme. De verschijnselen maken werken gecompliceerd, een sociaal leven onmogelijk en naar buiten gaan ondraaglijk.

Dit is dezelfde John Lurie die decennialang prominent deel uitmaakte van de New Yorkse kunstwereld. In de jaren tachtig en negentig was Lurie als saxofonist voorman van jazzband The Lounge Lizards, waarmee hij 22 albums opnam. Amerika kent hem van de tv-serie Fishing with John, waarin hij op pad ging met mannen als Tom Waits, Dennis Hopper en Matt Dillon. Hij acteerde in twee films van Jim Jarmusch, Down by Law en Stranger than Paradise, voor beide films schreef hij ook de muziek.

Hij was te zien in films van andere (tijdelijk) bevriende regisseurs zoals Wim Wenders, Martin Scorsese en David Lynch. Voor weer anderen componeerde hij filmmuziek. Voor Get Shorty werd hij voor een Grammy genomineerd (winnaar dat jaar: Independence Day). Dat was 1996.

„Eind jaren negentig voelde ik me heel slecht. Eerst dacht ik dat het stress was. Ik besloot me aan het schrijven van mijn memoires te zetten. [Werktitel: What do you know about music, you’re not a lawyer -FS] Ik werd almaar zieker. Mijn benen raakten gevoelloos, mijn bloeddruk ging omhoog en omlaag, ik kreeg het gevoel dat ik hartaanvallen had. Mijn zicht werd slecht, mijn gehoor ook. Ik kon mijn linkerhand niet bewegen. Evenwichtsproblemen.

„Aan het einde van de zin wist ik niet meer waar ik was, ik kwam in een hersenmist terecht. Er was niets moois aan wat ik schreef, niets elegants. Toen heb ik een half jaar tv-detectives gekeken, en porno op internet. Ook al kon ik me de hele dag niet bewegen, ik kreeg opeens energieaanvallen en moest dan vijf keer op een avond masturberen. Totdat iemand kunstbenodigdheden voor me meebracht en boem! In een staat van opwinding begon ik dan te tekenen. Hypnotisch. Achteraf keek ik dan en begreep er niets van. How the fuck heb ik dit gedaan?”

Het seksuele element is niet te missen in met name Lurie’s vroege tekeningen. Het vorig jaar verschenen boek Learn to draw staat vol met penissen en kapitaalloze titels als bird mistakes erection for worm.

Zijn kunst is sterk ironisch. Het voorwoord van dat eerste boek draagt de titel „Instructies” en eindigt met „Wij zijn geen vuilnis. Wij zijn mensen.” Is het sociaal engagement? Is het een verwijzing naar zijn werk? Een aanmoediging? „Ik zat een vreselijk slechte film te kijken waarin een groep mensen met een neergestort vliegtuig de woestijn uit moest zien te komen. Een van de acteurs sprak die woorden.”

Hij schaterlacht het plagiaat weg en vertelt over woorden die een eigen leven gaan leiden. Toen The Lounge Lizards begonnen te spelen hadden luisteraars een hokje nodig om het genre af te bakenen. Lurie verzon de term ‘fake jazz’ en zag deze nooit meer weggaan. „Terwijl we nog heel goed werden ook.”

Deed dat pijn?

„Ja. Veel dingen doen pijn.”

Zoals?

„Het is misschien niet zo netjes om te zeggen, maar mijn muziek heeft onvoldoende waardering gekregen. Met de band verdienden we nauwelijks, we kregen geen waardering. Daarover ben ik het meest bitter. Want dat had ik voor ons gewild: elke dag kunnen repeteren, tegen betaling. Niet dat productiewerk zoals platenmaatschappijen voorschrijven.”

Dus toen maar zelf een platenlabel begonnen?

„Maar wat ik toen kreeg waren problemen als tienduizend albums die vaststaan aan de grens met Polen. Shit. Fuck. Of een naam verkeerd gespeld op de hoes.”

Het is slechts het begin van een tirade tegen iedereen in de kunstwereld behalve Lurie zelf. Grofweg komt het erop neer dat alle anderen hem dwarszitten in het ontplooien van zijn creativiteit. Zo nu en dan begint hij te lachen. „Muziek spelen blijft een geschenk”, constateert hij dan. Om een tegenvraag te stellen. „Gaan we het alleen maar over mijn ontevredenheid hebben?” Of: „Je schildert me toch niet al te negatief af, hè?”

Hoe zien uw ideale omstandigheden eruit?

„Weet je, ik heb het goed gehad. Maar wat me stoort is dit. Ik ben de kunstenaar, maar er zijn honderden, duizenden mensen die verdienen op mijn werk. Assistenten, galeriehouders, boekhouders. Ik hoef niet verwend te worden. Maar ik wil dat ze in ieder geval net zo goed zijn in hun baan als ik dat ben.”

Als in uw ogen de hele kunstwereld zo amateuristisch is, wat ligt daaraan dan ten grondslag?

„Uiteindelijk is het de schuld van de kunstenaar. Hij klopt daar aan en vraagt: ‘Wilt u alstublieft mijn werk exposeren?’. Die nederigheid.”

Zo toegewijd als hij kan mopperen, zo begeesterd kan hij praten over zijn eigen werk. „Ik wil niet als een zak klinken, maar ik weet dat mijn werk heel goed is. Origineel.” Hij vertelt dat hij – „net als iedereen” – als kind begon te tekenen. „Alleen ik ben er nooit mee opgehouden.”

Lurie leest geen kranten, is een jaar geleden opgehouden tv-nieuws bij te houden. Zijn tijd op internet gaat op aan pokeren. „Ik ben heel goed, hoor. Fuck all this artshit, ik ga alleen nog pokeren.”

Stel dat u de kracht zou hebben en één concert zou kunnen bezoeken, een galerie, een bouwwerk.

„Als je wilt weten wat me nog interesseert: het licht op deze rol keukenpapier. Deze bloem. Het verkeer beneden. De kont van een mooi meisje. Maar dat hebben ze tegenwoordig ook op internet.”

Wat is er zo mooi aan het keukenpapier?

„Dat daar, dat is God.” Hij pauzeert. „Moeilijk om over te praten. Moeilijk om uit te leggen zonder dat ik als een idioot overkom. Maar nu ik dat zie, het is helemaal in het moment. Geweldig.”

Ik wil even praten over de titels van uw werk.

Afwijzend: „Waarom?”

Omdat ze relevant voor uw werk lijken.

„Dat weet ik. Ze komen tot me, als ik zo op driekwart van het schilderij ben.”

Hoe werkt dat?

„Ah, wat een domme vraag. Weet ik veel. God vertelt me dat. Dat antwoord weet ik niet.”

Gevraagd naar een constante in zijn schilderijen begint Lurie over „een plek diep in mijn onderbewustzijn”. Daarvandaan werkt hij. „Het is die staat waar ook de muziek die je maakt het beste is en seks geweldig. Dan schilder ik. Later slingert het wat rond en zegt mijn bewuste geest: ‘Ah, zo heet het dus’. Dan maak ik het af.”

U klinkt tevredener met uw heden dan met het verleden. Bent u er gelukkig mee dat u ziek werd?

„Weet je, deze ziekte is het beste dat me kon overkomen. Het schilderen heeft me gered. Ik heb mijn ziel gevonden, ben er minder arrogant van geworden, meer medelevend. Al die jaren voelde ik me op straat de koning van de kunst en al die... keuterboertjes.” Hij pauzeert. „Mijn ziekte heeft dat allemaal veranderd. Op een goede manier. Als je niet door iets zwaars heen moet, kom je nergens. We worden ziek, we gaan dood. En ik ben veel nu beter voorbereid dan jij.”

Lurie’s muziek en schilderijen zijn te beluisteren en te zien op www.strangeandbeautiful.com.