Iets vuils

Franz Kafka bracht het grootste deel van zijn leven in de Altstad van Praag door. Dat was zijn biotoop, geborgen en toch gevaarlijk, vertrouwd en toch verraderlijk. Want Kafka zou zich nooit ergens helemaal thuis voelen, er lagen altijd en overal bedreigingen op de loer. Voor wie steeds verder in zijn werk doordringt, krijgen de namen van al die Praagse straten en steegjes iets vertrouwds. Vaak zijn ze verbonden met de intiemste passages in zijn brieven en dagboeken.

Zo vertelt hij in een brief aan zijn vriendin Milena het verhaal van zijn eerste seksuele ervaring. Hij, twintig jaar, woonde met zijn ouders in de Zeltnergasse en aan de overkant stond vaak een winkelmeisje in de deur. Ze maakten een afspraak, hij zou haar ’s avonds afhalen, maar tot zijn schrik merkte hij dat een andere man hem voor was.

Dit keer had hij te vroeg gesomberd. Het meisje gaf hem een teken dat hij hen op een afstand moest volgen. Het stelletje dronk een biertje op het Schützeninsel, Kafka nam een tafeltje ernaast. Het meisje woonde ergens aan de Fleischmarkt. De man nam afscheid, het meisje ging haar huis binnen, Kafka wachtte af. En jawel, daar kwam ze weer.

Ze gingen naar een hotel op de Kleinseite. „Het was allemaal, nog vóór het hotel, prikkelend, opwindend en afschuwelijk, in het hotel was het niet veel anders”, schrijft Kafka.

Tegen de ochtend gingen ze over de Karlsbrücke weer naar huis. Kafka voelde zich gelukkig, zij het – Kafka blijft altijd Kafka – met mate. Zijn ‘eeuwig jammerend lichaam’ was eindelijk tot rust gekomen. Daar stond tegenover dat het meisje in dat hotel enkele dingen had gezegd en gedaan die „in alle onschuld iets afschuwelijks (…), iets vulgairs” hadden betekend.

Het was allemaal „te onbelangrijk om erover te spreken”, niettemin bleef de herinnering eraan hem achtervolgen. Hij had met de lust in al zijn facetten kennisgemaakt, en hij vond het ook een ‘afschuwelijke’ en ‘vuile’ kant hebben.

Maar hij besefte heel goed dat juist die kant hem „met zo’n waanzinnige kracht naar het hotel had getrokken, dat ik anders met mijn laatste kracht ontweken zou hebben.”

„En zoals het toen was, bleef het altijd”, schrijft hij dan.

Hij had zijn onschuld verloren, altijd zou zijn begeerte uitgaan „naar iets heel bepaald weerzinwekkends, naar iets enigszins afstotends, pijnlijks, vuils.”

Voor Kafka was seksualiteit primair geen bron van genot, maar een poel van verderf in „een zinloos vuile wereld”. Niet omdat hij een puritein was, maar omdat hij al vroeg de verscheurende werking van seks had ondervonden. Seks beangstigde en beschaamde hem. Ga maar naar de hoeren, adviseerde zijn ongevoelige vader hem. Later zag hij zijn vriend Max Brod bijna ten onder gaan aan een even druk als gekweld liefdesleven.

In deze zeer persoonlijke brief duiken weer tal van Praagse plekken op: Zeltnergasse, Schützeninsel, Fleischmarkt, Kleinseite. De geografie van Kafka’s angst. Ik kende die plekken niet, en ik vond dat daar maar eens een einde aan moest komen. De komende twee weken vindt u mij daar terug, hopelijk minder angstig dan Kafka, maar wél met de hem verschuldigde eerbied.