Het dikke fluitje

Op een cruciaal moment in het boek gaat Anna met de trein terug van Moskou naar Petersburg, naar haar man, de oude Karenin met de grote oren, en haar achtjarige zoontje Serjozja. Ze weet niet dat Vronski met dezelfde trein meereist, de officier die in Moskou verliefd op haar is geworden en haar zijn liefde wil verklaren. Het is winter en de gure sneeuwstorm giert door het barre Russische land langs de wagons. Als de trein in het holst van de nacht halt houdt op een tussenstation, stapt Anna uit om de benen te strekken en even verlost te zijn uit de benauwde coupé. Op het perron, waar de stormwind met de overkapping speelt, komt Vronski op haar af. Ze hoeft hem niet te vragen waarom hij daar staat, maar ze doet het toch. En hij antwoordt: „Ik wil zijn waar u bent.” Dit is het feitelijke moment waarop de vlam overslaat, waarop de tragische hartstocht het verhaal overneemt en als een op hol geslagen trein zonder machinist naar het einde dendert. En wat heeft een trein nodig om te vertrekken? Geen klaroenstoot uit den hogen, maar heel symbolisch en toch naturalistisch: een fluitje. En dit fluitje, dat alles in gang zet, beschrijft Tolstoj zo (letterlijk): „en vooraan brulde klaaglijk en somber het dikke fluitje van de locomotief”. Voorwaar, een alledaags stoomfluitje, maar toch heel bijzonder. Tolstojs goestoj svistok is ook iets waaraan ogen van Russische lezers even blijven hangen, omdat het woord goestoj, dik of dicht, alleen maar gebruikt wordt in de zin van dikke soep of dichte mist. Een dicht of dik fluitje is dus een wonderlijke manier van zeggen. Het heeft misschien ook te maken met een volle stem, maar hoe dan ook is het curieus. Een eerste vereiste is dat je ziet dat het ook in het Russisch onalledaags is en daarvoor moet je al bijna een native speaker zijn. Maar ook dan is het sowieso een probleem voor de vertaler: als hij vertaalt wat er staat, denkt de onbevangen lezer dat de vertaler getikt is of dat ‘de redacteuren op de uitgeverij weer eens hadden zitten slapen’. De verleiding is dus bijkans onweerstaanbaar om er iets normalers van te maken en de vertaling glad te strijken voor de Vlotte Leesbaarheid, de afgod die zoals bekend vele plengoffers vraagt in Vertalië. Zodat je van alles krijgt, variërend van doen of er niks stond (pomperompedom) tot ‘een schor fluitje’, een ‘doordringend gefluit’, ‘een basgeluid’, een ‘diepe klank’, ‘een schril gefluit’ en een ‘hese stoomfluit’. Kortom, een hele kakofonie aan geluiden, maar ‘een dik fluiten’ of ‘een vet fluitje’ zit er niet bij. Aan de ene kant is dat dus ook wel begrijpelijk, omdat het raar is, maar aan de andere kant is het eeuwig zonde en jammer, omdat het raar is. En waarom zou je dat in een vertaling niet kunnen honoreren? De vraag is dus eigenlijk: hoe kan een vertaler zich een woordenschat of een manier van uitdrukken bevechten waarmee hij alles kan zeggen?