Flexwerkers aller landen

Een van de leidende denkers van de ‘anders globalisten’, Antonio Negri, heeft zich nooit éénduidig gedistantiëerd van zijn militante verleden. Keert de gewapende strijd terug in Italië?

Timothy S. Murphy en Abdul-Karim Mustapha (red.): The Philosophy of Antonio Negri. Resistance in Practice. Pluto Press, 265 blz. € 83,–

Timothy S. Murphy en Abdul-Karim Mustapha (red.):The Philosophy of Antonio Negri. Revolution in Theory. Pluto Press, 222 blz. . € 83,–

Antonio Negri: Books for Burning. Between Civil War and Democracy in Italy. Vertaald en uitgegeven door Timothy S. Murphy. Verso, 299 blz. €27,–

Begin dit jaar werden in Italië vijftien vakbondsactivisten en studenten gearresteerd op verdenking van terrorisme. De Rode Brigades, de ultralinkse terroristische organisatie die vanaf 1970 Italië in zijn greep hield, lijken uit de mottenballenkist van de geschiedenis opgestaan.

Tussen 1970 en 1974 was de eerste generatie terroristen verantwoordelijk voor tientallen aanslagen op managers van onder meer de Noord-Italiaanse Fiat en Pirelli-fabrieken. De managers kwamen er voornamelijk met kapotte knieschijven en kortstondige ontvoeringen vanaf. De tweede generatie schroefde het geweldsniveau op en sloeg aan het moorden. De parallellen met de geschiedenis van de Duitse nichten en neven van de RAF dienden zich aan. In maart 1978 werd het lichaam van premier Aldo Moro teruggevonden. De Rode Brigades hadden hem gekidnapt en toen de staat hun eisen niet inwilligde, vermoord. Er volgden nog enkele acties, waaronder de ontvoering van de Amerikaanse generaal Dozier. Maar vanaf 1982 speelden de ‘stadsguerrillero’s’ eigenlijk geen rol meer. Twintig jaar later vermoordde een groepje geïsoleerde terroristen, die zich de ‘Brigate Rosse Nuove’ noemden, de marktgezinde economen en regeringsadviseurs Massimo D’Antona (1999) en Marco Biagi (2003). Met de ‘oude’ brigadisten bleken ze echter niets te maken te hebben.

Wat wil de onlangs gearresteerde, nieuwe generatie terroristen die op grond van hun jeugdige leeftijd de ‘baby brigades’ worden genoemd eigenlijk? De roman Buio Rivoluzione van de 37-jarige Napolitaan Valerio Lucarelli, die twee dagen na de golf arrestaties van februari verscheen, geeft een goed getimed, verontrustend antwoord. Hij legt uit hoe enkele jongeren de geest van de revolutie weer willen opwekken. Meteen op de eerste pagina ontvoeren ze de dochter van de Britse premier in ruil voor losgeld en erkenning. Die actie is nogal vergezocht. Net zoals de liefdesgeschiedenis tussen een politieofficier en een van haar geloof gevallen terroriste, die zich daarna ontvouwt. Maar de verklaring voor het opvlammen van het politieke geweld is dat niet.

De terroristen uit de roman behoren allen tot de klasse van wat inmiddels het ‘precariaat’ is gaan heten; een van oorsprong Italiaans begrip. Het zijn freelancers, deeltijders en uitzendwerkers die zich door de geijkte linkse partijen en vakbondsleiders niet meer aangesproken voelen. Rondhangend in linkse buurtcentra koesteren ze hun rancune tegen het establishment, de ‘roofkapitalisten’ en de veramerikaniseerde samenleving. De oorlog in Irak en het verzet tegen de Stato Imperialista di Multinationali (de Verenigde Staten) dienen als motivatie en legitimatie voor verdere radicalisering. En zo wordt anno 2008 volgens de roman een nieuwe ‘cel’ geboren, die met de genoemde ontvoering de Italiaanse politieke agenda omver wil gooien.

De parallellen met de werkelijkheid dringen zich op. Er is in Italië momenteel een linkse coalitie aan de macht, maar de radicale activisten, autonomen en overige marxisten voelen zich verraden en buiten spel gezet. De regering steunt de Amerikaanse politiek en sluit compromissen met de ‘burgerlijke’ partijen. Tegen die achtergrond kan een handjevol radicalen vissen in de grote vijver van hoog opgeleidde, werkloze of laagbetaalde jongeren in kwetsbare posities. Socialistische jongerencentra en vakbonden bieden daarvoor de infrastructuur. De jongeren worden daarbij gecoacht door veteranen uit de protestbeweging van de jaren zeventig.

De Italiaanse filosoof en activist Antonio Negri speculeerde in de jaren negentig, in zijn geruchtmakende werk Empire, al over dit explosieve mengsel van nieuwe onzekerheid voor jongeren in geflexibiliseerde marktverhoudingen en de linkse tradities die teruggaan tot de de protesten van de jaren zestig en zeventig. Hij voorspelde een opstand van ‘intellectuele arbeiders’ tegen de moderne vorm van uitbuiting door deeltijd-, uitzend- en flexwerk. In de tweedelige bundel The Philosophy of Antionio Negri, met als ondertitels ‘Resistance in Practice’ en ‘Revolution in Theory’ leggen de Amerikaanse sociale wetenschappers Timothy Murphy en Abdul-Karim Mustapha uit hoe de ideologie van deze voordenker van het ‘anders-globalisme’ is geëvolueerd sinds de jaren zeventig.

Negri gaf in de loop der jaren de leidende rol van de communistische partij op, als de ‘voorhoede’ van een politieke en sociale omwenteling, erkende dat de werknemers zélf weten wat goed voor ze is, en verving het gedateerde concept van de ‘arbeidersklasse’ door dat van de ‘multitude’: een sociaal-economische mengvorm van arbeiders en werknemers uit de privé- en collectieve sector, uit de industrie en IT-wereld. Maar zijn radicale engagement bleef behouden.

Negri’s theorieën hadden grote invloed op radicale groepen. In de jaren zeventig publiceerde hij als hoogleraar filosofie al strijdlustige pleidooien voor een ‘omwenteling van de bezitsverhoudingen’ en meer macht voor de ‘arbeiders’ en de ‘straat’. In Books for Burning heeft Timothy Murphy Negri’s essays uit die jaren opnieuw gebundeld en van een inleiding voorzien. In 1979 werd Negri opgepakt. De rechter veroordeelde hem als inspirator en aanstichter van het revolutionaire terroristische geweld, en beschouwde hem als brein achter de ontvoering van Aldo Moro.

Negri wist uit Italië te ontkomen, verbleef een aantal jaren als politieke vluchteling in Frankrijk, maar zat uiteindelijk zijn gevangenisstraf van 17 jaar uit. Concrete banden – behalve dan zijn revolutionaire geschriften – met de Rode Brigades zijn echter nooit bewezen. Onduidelijk is altijd gebleven of het bij ‘intellectuele brandstichting’ bleef of niet. Negri was meer spreekbuis van de radicaliserende arbeiders en studenten, zo betogen Timothy Murphy en Abdul-Karim Mustapha in hun studie, dan dat hij hen leidde in de strijd. Bovendien, zo argumenteren zij, heeft Negri zich ook altijd gedistantieerd van terroristisch geweld tegen ‘onschuldige’ burgers.

Dat mag zo zijn, maar Negri’s afkeer werd niet zozeer moreel, maar vooral strategisch gevoed. Links geweld speelde immers rechts in de kaart en was fnuikend voor het proces van democratisering in Italië. De massa’s hadden bovendien geen militante avant-garde nodig, maar moesten onderling vereend blijven en het kapitalisme gezamenlijk tegemoet treden. Maar hoe ver Negri in die opstand had willen gaan, en vooral hoe gewelddadig die opstand of burgeroorlog had mogen worden, dat heeft Negri nooit helder aangegeven. De geweldsvraag is onopgelost gebleven. Dat is een erfenis van zowel radicaal links áls rechts in Italië die blijkbaar nog niet verbeurd is verklaard.

Negri’s voorspellingen van ‘cybersubversie’ doen in Nederland nogal dramatisch aan. We zien SP-aanhangers en ICT’ers hier nog niet zo snel gezamenlijk radicaliseren. Maar ook al is de geest van de revolutie al sinds de jaren zeventig verwaaid, de erfenis van de geweldservaringen van die jaren kan door een handjevol onverlaten uitgebuit worden. Juist daarom is het zo betreurenswaardig dat Negri zijn radicaal-democratische idealen nog steeds niet eenduidig van alle militante associaties heeft ontdaan, en dat de ‘gewapende strijd’ in Italië nog steeds wordt geromantiseerd.

Valerio Lucarelli: Buio Rivoluzione. PeQuod, 207 blz. € 15,–