Een oud geluid

Een heel enkele keer laat de radio een vroege opname van Enrico Caruso horen, een aria die hij gezongen heeft in het begin van de twintigste eeuw, misschien wel tien jaar voor de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Dat hij prachtig zong, kun je ondanks de gebrekkige techniek, nu nog horen. Maar het oude geluid heeft een extra kwaliteit. Het verleden komt zolang het zingen duurt zo dicht als mogelijk is onder zintuigelijk bereik. Ongeveer dezelfde ervaring wordt veroorzaakt door heel oude foto’s, bijvoorbeeld een portret van Victor Hugo, gemaakt door Etienne Carjat in 1872. De schrijver kijkt streng, bezorgd. Geen wonder. De Frans-Duitse oorlog is met een vernedering voor de Fransen geëindigd. Hugo is patriot. Het is een vlijmscherpe foto, je kunt de schakels van zijn horlogeketting bijna tellen; en tegelijkertijd zie je in één oogopslag dat het een heel oude foto is. Dat komt niet door het ouderwetse voorkomen van de geportretteerde. Het ligt in de nuance van de tegenstellingen tussen licht en donker, het timbre van het geheel. De toonkleur.

Geluid kan nu sinds een jaar of 110 met behulp van de techniek worden bewaard. Ongelofelijk. Geluid kan niet worden getekend of geschilderd. We weten nauwkeurig, in twee en drie dimensies hoe de beroemde oude Grieken, Romeinen, Egyptenaren eruit zagen. Met de voorstelling van Ramses de derde (1294-1224 voor Christus) in handen zou je hem nu op straat misschien nog kunnen herkennen. Johan van Oldenbarneveldt, zeker, voor wie hem van de Coolsingel kent. Napoleon hebben we zo vaak op een plaatje gezien dat we hem een huisvriend kunnen noemen. Maar als je alleen zijn stem zou horen, zou je niet weten met wie je te maken had. Niet langer dan een eeuw zijn we in het genot van een min of meer natuurgetrouwe weergave van het geluid. Daarvoor wisten we alleen door het geschreven woord dat iedere periode zijn eigen stijl heeft en dat de taal voortdurend verandert.

Door de uitvinding van de grammofoon en de voortdurend beter en nog beter wordende kwaliteit van het geluid is er een factor in de verandering bijgekomen. En nu is het de vraag of door de jaren en de generaties heen de mensen ook in andere klanken gaan spreken. Verschil in nationaliteiten is er wel. De gemiddelde Amerikaanse man spreekt harder en met een zwaardere stem dan de Nederlandse. Maar hoe zit het met de Nederlander uit bijvoorbeeld de jaren dertig? Ik heb eens een filmpje gezien waarop Hendrikus Colijn onze nationale held Jan Pieterszoon Coen herdacht, in een kerk. Zwaar, donker gegalm, diep uit de keel. Het was alsof er een sarcofaag was geopend. In de eerste periode van de Amsterdamse metro heeft de stem van Philip Bloemendal de stations aangekondigd. Ook niet meer van deze tijd. Maar als je onze eerste nationale voetbalverslaggever Han Hollander een doelpunt hoort aankondigen, zeventig jaar geleden, sta je weer op de drempel van het moderne leven.

In het Museum Boerhaave in Leiden is tot 28 oktober de tentoonstelling Soundbites, te zien, over praktisch iedereen en alles wat met geluid te maken heeft. Er hoort een erudiete toelichting van 44 pagina’s bij, en daarin zit weer een cd-rom in met een selectie van muzikale adstructies. Het begint met een fragmentje orgel, When Day Is Done (and shadows fall, enz.), hartbrekend. Dan het een en ander op Hawaiï-gitaar. En het pièce de résistance, de complete uitvoering van het Poème électronique van Edgar Varèse, acht minuten, in het Philips Paviljoen op de Wereldtentoonstelling in Brussel, 1958. Een avontuur voor de trommelvliezen. Het paviljoen was speciaal voor de muziek door Le Corbusier ontworpen. Kees Tazelaar, musicoloog, beschrijft hoe het gebouw, de compositie en de uitvoering tot stand zijn gekomen. Het pad van de avant-garde ging niet over rozen.

„Vooral veel componisten kijken verlangend terug naar dat korte moment in de geschiedenis waarop er een gebouw bestond dat geheel in dienst stond van de ruimtelijke weergave van elektronische muziek.” Het Paviljoen is op 2 februari 1959 opgeblazen. Maar we hebben de cd-rom nog.