Een bureaucratische politienachtmerrie

Europol, waarin Europese politiekorpsen samenwerken, is niet effectief tegen georganiseerde criminelen.

Bureaucratie blijkt een grote belemmering te zijn.

Europa’s beroemdste maffiadorp: Corleone. Foto Reuters A villager drives a small "moto ape" utility truck past a road sign April 12, 2006 in the small Sicilian town of Corleone, close to where Mafia chief Bernardo Provenzano was arrested on Tuesday. Provenzano, known as the "Phantom of Corleone" after his native hill town, made famous by the Godfather films, has been running the Mafia since former "boss of bosses" Toto Riina was arrested in 1993. REUTERS/Marcello Paternostro REUTERS

De Europese Unie is er de afgelopen jaren niet in geslaagd om doelmatig op te treden tegen de georganiseerde criminaliteit, zo blijkt uit onderzoek.

Europol, het samenwerkingsverband van politie in de Europese Unie, functioneert door gebrek aan bevoegdheden nog steeds onder de maat en wordt in de lidstaten nauwelijks serieus genomen. Europese wetgeving om grensoverschrijdende criminaliteit te bestrijden en opsporingsinstanties van individuele lidstaten te verplichten onderling informatie uit te wisselen – zoals vingerafdrukken of DNA-sporen – zijn in de praktijk nauwelijks in nationale wetgeving ingevoerd.

Dat blijkt uit het rapport ‘De Europese Unie en het gevecht tegen de georganiseerde criminaliteit’, uitgevoerd door Hugo Brady van het Britse Centre for European Reform, een denktank voor Europese kwesties.

Op papier wordt de wenselijkheid van betere samenwerking, met name na de aanslagen in Amerika in 2001, bij herhaling beleden, aldus Brady. Maar in de praktijk ontbreekt vaak de wil en is besluitvorming in de raad van Europese ministers van Justitie, waar Europese regelgeving wordt vastgesteld, traag en bureaucratisch.

Alleen afspraken in kleiner verband werken volgens Schilly in de praktijk goed. Zoals die tussen de acht lidstaten van het Verdrag van Prüm over betere politiesamenwerking. Maar ook in dat kleine verband was er eerst de nodige weerstand. „Sommige lidstaten beschouwen opsporingsinformatie als hun exclusieve eigendom. Frankrijk was in eerste instantie er nauwelijks toe te bewegen om dat verdrag te ondertekenen.”

Europol zou van serieuze betekenis voor grensoverschrijdende criminaliteitsbestrijding kunnen zijn, aldus Brady, maar krijgt van de lidstaten nog steeds onvoldoende ondersteuning. Zo kreeg Europol in 2006 bij een onderzoek naar de omvang van georganiseerde criminaliteit in de individuele landen wisselende dossiers binnen. Een lidstaat produceerde voor dat onderzoek een dossier van meer dan vijfhonderd pagina’s. Een ander land volstond met een dossier dat slechts één pagina betrof.

Sommige lidstaten vaardigen een verbindingsofficier af naar het Europol-hoofdkantoor in Den Haag die ter plekke de bevoegdheid niet heeft om vertrouwelijke informatie uit te wisselen. Met als gevolg, zo citeerde Brady een Ierse politiefunctionaris, dat we in internationaal onderzoek niet de hand kunnen leggen op belangrijke personen in criminele organisaties. „Terwijl dat ons doel moet zijn: de figuren eruit lichten die er toe doen in die organisaties.”

Europol wordt in slagkracht ook aanzienlijk beperkt door trage besluitvorming. Zelfs voor eenvoudige administratieve beslissingen is de goedkeuring nodig van de directieraad, waarin de 27 EU-lidstaten zitting hebben. Omdat opsporingsambtenaren over operationele samenwerking met Europol ook nog eens vaak toestemming nodig hebben van hun nationale samenwerkingsverbanden, betekent dat in de praktijk vaak „een bloedige bureaucratische nachtmerrie”, aldus een ervaren politiefunctionaris in het onderzoek.

Internationaal opsporingsonderzoek wordt ook bemoeilijkt door verschillende wetgevingsstructuren in de lidstaten. Zo gelden in Groot-Brittannië telefoontaps niet als bewijs voor de rechtbank, terwijl dat in Frankrijk weer wel is toegestaan. Sommige EU-landen, waaronder Italië en Polen, beschikken niet over een DNA-databestand, terwijl bijvoorbeeld in Groot-Brittannië de politie van iedere arrestant een DNA-profiel mag afnemen.

Ook gemeenschappelijke opsporingseenheden in grensgebieden werken in de praktijk nauwelijks als gevolg van ingewikkelde procedures.