Dit is hun huiskamer

Porgy en Bess in Terneuzen is een van die intieme jazzclubs waar muzikanten graag komen, omdat ze worden vertroeteld. „Alles mag en alles kan. Al jammen we de hele nacht door.”

Jazztrompettist Roy Hargrove staart wat afwezig voor zich uit. Terwijl zijn band een lading spareribs verorbert, schrijft de musicus in zijn hoofd een solo uit voor zijn bigband in Amerika. Niet dat hij onbeleefd wil zijn. Op een kruk, in haar hand een microfoon, begeleidt gastvrouw Trudy met galmend Nederlands repertoire de porties vlees die rondgaan in haar Zeeuwse eethuis. Maar de jazz kan het ineens overnemen – wáár je ook bent, verklaart Hargrove met een verontschuldigende blik.

Terneuzen. Over een uur begint het optreden van het Roy Hargrove Quintet in jazzclub Porgy en Bess. Bezoekers uit de Zeeuwse provincie en België betalen hun entree, waarna ze langs de bar lopen voor een plekje in de achtergelegen ruimte. De club, met aan de muur een levensgroot portret van de flamboyante oprichter, de Surinamer Frank Koulen – bijnaam ‘de Neger’, ademt nostalgie. Links het podium met de Steinway-vleugel uit 1935. Eromheen tafeltjes en klapstoelen met achterin een tweede barretje. In Porgy en Bess zit je met je neus op de muziek.

Intussen blaast 37-jarige Roy Hargrove op de verdieping erboven zacht zijn lippen warm. Door vele grote meesters onder de hoede genomen en met diverse memorabele optredens in zijn achterzak is hij inmiddels één van de opvallendste musici in de internationale jazzscene. Hij draagt een hippe zonnebril en hangt op de auberginekleurige geribde driezitter langs de wand. Hier in de ‘bandroom’ heeft de tijd stil gestaan met ouderwetse gordijntjes en kleedjes. Aan de muren vergeelde aankondigingposters (Art Blakey, 10de Schelde Jazz Festival 1982) en foto’s. Op de tafel koekjes, een verse door een vrijwilliger gebakken taart, broodjes en fruit.

Hargrove is kind aan huis

in de Zeeuwse jazzclub. Hij speelde er twaalf keer. Dus ook deze maand, bij het vijftigjarige bestaan. „Ze houden hier van jazz”, merkt hij op. „Ik kom hier graag, voel me er thuis. Alles mag en alles kan. Al jammen we de hele nacht door.” Hij wijst op een oud orgeltje en de theaterrekwisieten in een hoek. „De sfeer van vervlogen tijden draagt bij aan de muziek. Ver van de grote stad is dit een no-nonsense omgeving. Dat maakt dat je net wat extra wilt geven.”

„Roy gebruikt Terneuzen vaak als start- of eindpunt van een Europese tournee”, vertelt Porgy en Bess-manager Maja Lemmen. „Dan blijven ze een dag of drie, logeren aan de Schelde, huren fietsen en wandelen door de stad. Er zijn er zelfs bij die een hondje komen lenen om ermee te wandelen. Omdat ze hun eigen hond missen. Muzikanten worden hier met rust gelaten. Ze hangen rond bij de piano, aan de bar, of relaxen hier boven – dit is hun huiskamer. Die mensen leven weken uit een koffer. We vertroetelen ze een beetje. Dat krijg je terug op het podium.”

Ooit begonnen als lunchroom, is Porgy en Bess uitgegroeid tot een van de sympathiekste jazzclubs in Nederland. Dat is vooral te danken aan manager Maja Lemmen, die de club sinds de dood van de oprichter in 1985 met een team vrijwilligers in leven houdt. Met vierentwintig concerten per jaar op het terrein van jazz, world en klassiek komt het podium rond met gemeentesubsidie, sponsorgeld en donaties. „We bestaan van de kraan”, zegt Lemmen. „Alles wat we verdienen komt uit de baromzet. Zodra je hier eurotekens in je ogen krijgt gaat de sfeer verloren. Weinig geld houdt je scherp. Het bestuur moet actief de boer op om aan geld te komen.”

Natuurlijk is ze jaloers op clubs met grotere budgetten. „Maar dat maakt ook lui. Je krijgt snel slapte in de programmering. Als het er echt op aan komt durven we ook onze eigen portemonnee er wel voor aan te spreken. Het gaat om kwaliteitsbewaking. Dan bouw je krediet op bij je publiek, zodat ze ook naar onbekende bands komen luisteren.”

Porgy en Bess geeft musici uit de regio de ruimte. Maar ook de Amerikaanse pianiste en zangeres Diana Krall en de vermaarde jazz-zangeres Betty Carter traden er op. „Gewoon durven vragen”, zegt Lemmen met trots in haar stem. „Ze willen heus niet alleen maar op gigafestivals staan. Ze zijn tenslotte allemaal begonnen in kleine clubs.”

Jazzpodia als Porgy en Bess zijn zeldzaam in Nederland. Steunend op een netwerk van vrijwilligers en actieve bestuursleden wordt met daadkracht en bezieling alles ingezet om het podium draaiende te houden. Clubs als Paradox in Tilburg en De Tor in Enschede opereren vergelijkbaar. De meeste jazzorganisaties hebben echter geen eigen locatie, zoals de Stichting Hothouse Redbad die twee keer per maand de stadsschouwburg van Leeuwarden gebruikt voor jazzconcerten.

Onder musici leeft het gevoel dat het per jaar bergafwaarts gaat met het aantal jazzclubs. De speelmogelijkheden lijken steeds beperkter. Dat wil Everard van der Marck graag nuanceren. Hij is podiumconsulent van De Jazzorganisatie, het samenwerkingsverband van het Nederlands Jazz Archief (NJA), de Dutch Jazz Connection (DJC) en de Nederlandse Jazzdienst (NJD). „Ja, er verdwijnen clubs. En iedere sluiting is een gevoelig verlies, zoals ‘Bij Max’ in Den Oever – die overigens op last van de brandweer gesloten werd. Maar dat er ook weer clubs bij komen in een stad als Rotterdam krijgt minder aandacht.”

Even terug in de geschiedenis

. Van 1975 tot 1996 heerste een aardig jazzklimaat voor jazzpodia in Nederland. Ooit waren er 120 podia voor musici te bespelen. De voormalige Stichting Jazz en Geïmproviseerde Muziek in Nederland (SJIN) vulde met een door de Beroepsvereniging voor Improviserende Musici (BIM) ontworpen subsidiestructuur gages aan tot een soort vakbondsnorm.

Sinds de opheffing van de SJIN, midden jaren negentig, zijn tal van veranderingen doorgevoerd waaronder de jazzsector ernstig te lijden heeft gehad. Het roer ging om. De subsidie werd geleidelijk geconcentreerd op 45 kernpodia. De spreiding werd minder en kleine podia dienden bureaucratischer te werken of gingen over de kop.

In 2001 volgde een tweede reorganisatie onder staatssecretaris Rick van der Ploeg. Het nieuw Fonds voor de Podium Programmering en Marketing (FPPM) kreeg de taak voor de concertsubsidiëring, maar moest daarbij nadruk leggen op ‘bijzondere projecten’ in plaats van reguliere programmering. Aanvankelijk leidde dat tot substantiële problemen voor kleine jazzpodia. De ingelaste Regeling Kleinschalige Podia van de FPPM zette dat enigszins recht. Nu kunnen kleine jazzorganisaties/podia die grotendeels werken met vrijwilligers en een maximaal bezoekersaantal hebben van 350 man ook een subsidie krijgen. Al gaat het om ‘kleinschalig aanbod en risicovolle programmering’ tot en met 2008, jazzorganisaties als jazzstichting Nieuw en Diep in Den Helder en het Bethaniënklooster in Amsterdam hebben er al gebruik van gemaakt. Het voorbestaan van de RKP is echter nog onzeker.

De speelmogelijkheden blijven beperkt, erkent Van der Marck van De Jazzorganisatie. De constante aanwas conservatoriamusici die zijn weg moet vinden in het betaalde circuit vergemakkelijkt dit niet. „Het grootste probleem waar de podia mee kampen blijft geld. Er zijn vaak geen reserves. Als toezeggingen te laat komen, wordt er voorgeschoten uit eigen zak van de vrijwilligers.”

Een ander probleem, signaleert Van der Marck, is dat de podia zo weinig zichtbaar zijn. Ze kunnen niet rekenen op aandacht in de media. „Iedere bezoeker moet binnen worden gepraat.” Maar ook in de eigen gemeente zijn de organisaties, die soms maar tien concerten in een jaar programmeren, onzichtbaar zonder eigen podium. „Met zo’n lage frequentie valt nauwelijks een imago op te bouwen.”

Vier grote podia krijgen nog via het ministerie van OCW (Kunstenplan) subsidie: het BIMhuis in Amsterdam, het SJU Jazzpodium in Utrecht, de jazzclub Paradox in Tilburg en de Stichting Jazz International Rotterdam die het merendeel in Theater Lantaren/Venster en De Doelen programmeert. Theater Lantaren Venster investeert duidelijk in zijn publiek met grote jazznamen zoals laatst Branford Marsalis. „Begrijpelijk”, zegt Van der Marck. „Opzien baren en je in de kijker spelen geeft de grootste kans dat je een blijvend publiek opbouwt. Al blijft het de vraag hoe lang zoiets vol te houden is.”

De jazzclub in Terneuzen

is niet de enige jubilaris, ook jazzpodium DSJ in Dordrecht met plaats voor 100 bezoekers viert komend weekend feest. Met zijn zestigjarige bestaan mag de Dordtse Jazz Sociëteit, opgericht door Henk van Buul die met zijn pianotrio ‘Henk van Buul and his Rhythm’ het huisorkest was van de Sociëteit, zich misschien wel de oudste club van Nederland noemen. Al zijn er meerdere gegadigden voor de titel.

Ook hier: welwillende vrijwilligers en een actief bestuur. „Door onze betrokkenheid bestaat het podium nog”, stelt voorzitter Thea van Rijn vast. „We voelen ons verantwoordelijk naar het verleden toe, naar de mensen die het na de oorlog opgezet hebben. Ze wilden de ellende vergeten en dansen op Amerikaanse en Engelse muziek, de muziek van de bevrijders.”

Later, toen de muziek experimenteler werd en minder dansbaar, kwam de nadruk meer te liggen op optredens. Ondanks zijn kleine wat hoekige behuizing – met een pilaar waar de drummer achter verscholen zit – heeft DJS als clubhuis van de Nederlandse jazz een goede naam. Bijna iedere jazzmuzikant van eigen bodem heeft er gespeeld. „DJS gaf mij in het prille begin mijn eerste kansen”, zegt trompettist Eric Vloeimans. Drummer Joost Lijbaart, die bij een bezoek aan de club de hoofdact is, herinnert zich: „Hier deed ik als conservatoriumstudent mijn eerste podiumervaringen op.”

Begin 2000 werd DJS nieuw leven ingeblazen met een nieuwe programmeur, saxofonist Juan Martinez. Hij trof een club aan die vervreemd was van zijn eigen publiek. „Een maand lang geïmproviseerde vrije muziek op zaterdagavond is te moeilijk. Mensen vonden het een te hoogdrempelig podium. Dat heb ik willen wegnemen.” In 2003 is hij begonnen met de Wereld Jazzdagen, in navolging van de Dordtse Jazzdagen, op het plein. „Dan zet DJS de ramen open. Een knus en intiem festival met een smoel.”

Een ander succes boeken de maandelijkse Jazz And Beyond-avonden, met hippe crossoverbands tussen jazz, funk en dj’s. „Het jonge publiek dat ons jaren volstrekt negeerde komt ineens.”

Stiekem droomt het bestuur van een nieuwe, grotere locatie. Voor grotere bands, in omvang maar misschien ook met meer budget voor internationale toppers in een hoger segment. Martinez: „De paradox is hoe beter en duurder de band, des te beter het concert bezocht wordt en hoe makkelijk dat dan terugverdiend is.”

De Jazzorganisatie ziet vooral toekomst in kleine muziekcentra. Van der Marck: „Het gaat erom om zichtbaar te worden. Neem de Toonzaal in Den Bosch. Door verschillende combinaties van muziek blijft de jazz niet weggestopt in keldertjes.” Aan het romantische beeld van de rokerige jazzkelder hecht publiek tegenwoordig nauwelijks, ziet hij „de wensen veranderen. Een jazzclub mag clean en fris. Je ziet dat aan het nieuwe moderne BIMhuis. Hoewel de echte stamgasten zijn verdwenen en het iets minder de hangout van jazzmusici is, zijn de bezoekersaantallen in twee jaar tijd bijna verdubbeld.”

Terug naar Terneuzen. Het Roy Hargrove Quintet geeft een vol en vurig concert. De nieuwe pianist Gerald Clayton springt eruit en Hargrove’s eigen ballad op de bugel is romig smeltend als een bolletje ijs. Maja Lemmen observeert haar publiek. „Buitenlandse musici waarderen het hier, fluistert ze. „Juist musici uit Holland, die vinden dat ze naar de appendix van Nederland moeten afreizen voor Terneuzen, hebben hun vooroordelen. Maar we zijn geen domme boertjes, we stellen onze eisen. En halve inzet accepteren we niet. Op het podium moeten ze allemaal brengen wat ze waard zijn.”

Porgy en Bess, Noordstraat 52, Terneuzen. Jubileumprogramma t/m 29 april. www.porgyenbess.nl Jazzpodium DJS, Grotekerksplein 1, Dordrecht. Jubileumconcerten 27 t/m 29 aprilInfo: www.jazzpodiumdjs.nl Voor podiaoverzicht: www.jazzserver.nl