De verlokkingen van het anarchovirus

‘Het is een geweldig leven. Men is optimistisch. De fooien in de café’s zijn afgeschaft.’

Dat vertrouwde Arthur Lehning, de Nederlandse anarchist(1899-2000) die op z’n honderdste nog net een bekroning met de P.C.Hooftprijs mocht beleven, op 9 oktober 1936 in Barcelona aan z’n dagboek toe.

Niet alleen dat de fooien waren afgeschaft en het hele openbaar vervoer in de stad was gecollectiviseerd, veel grote bedrijven waren bovendien in eigendom overgegaan naar de anarchistische vakbond CNT (Confederacíon Nacional del Trabajo), of regelrecht naar de FAI, de Federacíon Anarquista Ibernica. In de arbeidersmilities die in de heuvels bij Barcelona tegen de rebellen van Franco vochten, bestond geen hierarchie meer, en van alle overheidsgebouwen waaide de zwart-rode vlag van de anarchie. Iedereen was ieders kameraad.

‘Ondanks alles’, noteerde Lehning dan ook, ‘zijn het de heerlijkste dagen van mijn leven. Vanmiddag heb ik iets prachtigs beleefd: de grootste oorlogsfabriek hier bezocht. Een van onze kameraden is nu directeur. In de fabrieksbinnenplaats lagen bergen ijzer, zilver, goud en diverse voorwerpen opgestapeld: alles wat uit de kerken gehaald was, om hier gesmolten te worden. Men maakt daar bommen, handgranaten en vliegtuigen van’.

Was er nou een (burger)oorlog gaande in het land waar Lehning zich zo geweldig in z’n nopjes voelde, of een revolutie?

Allebei. Dat was zowel het aanstekelijke, als het absurde, als het heilloze van wat Hans Magnus Enzensberger veertig jaar na dato nog eens zou reconstrueren in De korte zomer van de anarchie.

Misschien had het linkse verzet tegen de door Franco geleide generaalscoup wel overal in Spanje dat dubbele karakter. Tegenover de dreiging van een autoritair, al dan niet fascistisch bewind, vonden veel socialisten en sociaal-democraten dat links wel een beetje linkser mocht worden. De Catalaanse anarchisten aarzelden niet. De wettige volksfrontregering van Largo Caballero was in hun ogen toch al nooit rood genoeg geweest, en zij stelden er in juli 1936 voor heel Catalonië demonstratief meteen een anarchistische arbeidersregering tegenover.

Dat verklaart de euforische toon in het Spaans dagboek van Arthur Lehning, waarvan een nieuwe uitgave bij De Vooruitgang (122 blz, € 17,50) ingeleid en van aantekeningen voorzien werd door zijn dochter Toke van Helmond-Lehning.

Zeker in het eerste driekwart jaar van de burgeroorlog oefende het avontuurlijke mengsel van antifascisme en revolutionair experiment een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op nog veel meer schrijvers, kunstenaars en intellectuelen, en die hoefden er niet eens anarchistische sympathieën voor op na te houden.

In een representatieve bundel over Writers on the Civil War (Oxford, 1986) concludeerde samensteller Valentine Cunningham: ‘Geen oorlog daarvoor of daarna heeft zo veel ooggetuigeverslagen van intellectuelen opgeleverd als de Spaanse Burgeroorlog’. De rij namen is nog altijd indrukwekkend: André Malraux, Georges Bernanos, Louis Aragon, George Orwell, Ernest Hemingway, John Dos Passos, Emma Goldman, Ilja Ehrenburg, Klaus en Erika Mann, Alfred Kantorowicz, Arthur Koestler, Hanns Erich Kaminski – en dan nog gezwegen van de tientallen beroemde (of in Spanje beroemd geworden) journalisten, fotografen en cineasten. Wat precies dreef ze naar de Spaanse fronten als ze er beroepshalve niets te zoeken hadden? Wilden ze genereus de bedreigde Spanjaarden terzijde staan? Of lokte ook nog zoiets als het ‘anarchistische virus’ dat als een bij uitstek Spaans geestesmerk gold?

Als medeoprichter van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis had Arthur Lehning zichzelf de min of meer professionele opdracht gegeven zo snel mogelijk naar Spanje te reizen, teneinde uit het Spaanse oorlogsgebied zo veel mogelijk relevant archiefmateriaal voor het Instituut te ‘redden’.

Zijn aanvankelijke enthousiasme ten spijt, was het revolutionaire elan op het moment dat hij in Barcelona aankwam in feite al behoorlijk bekoeld. De anti- hierarchie-afspraak, de formele onteigeningen en de afschaffing van fooien in de horeca waren nog wel van kracht, en de zwart-rode vlaggen wapperden nog van tram, trein en gebouwen – maar CNT en FAI hadden toen al fundamentele politieke concessies moeten doen aan de centralistisch ingestelde regering in Madrid, waar de communisten intussen aanzienlijk veel invloed hadden verworven.

In propagandacampagnes werd het onderscheid tussen een luxe revolutie en een op leven en dood te voeren oorlog aangescherpt. Met hun nadruk op de ‘eigen’ revolutie, en met de tekortschietende prestaties van hun ongedisciplineerde milities, zouden de Catalanen wel eens schade kunnen toebrengen aan de gemeenschappelijke Spaanse, antifascistische belangen. Van die verholen beschuldiging was het voor de Moskougetrouwen nog maar een kleine stap om via kwaadsappige geruchten de mare te verspreiden dat de trotskisten van CNT en FAI eigenlijk welbewuste handlangers van het fascisme waren.

Als Arthur Lehning in december 1936 alweer in Amsterdam is, komt George Orwell van het front even terug in het Barcelona dat ook hij van de aanstekelijke zomerdagen kent. En Orwell noteert (in Afscheid van Catalonië):

‘De ‘revolutionaire’ aanspreekvormen waren in onbruik geraakt, salud was weer vervangen door buenos dias . De kelners hadden hun gesteven frontjes weer aan, en de winkelbediendes kropen weer voor je zoals vroeger. Op een heimelijke, indirecte manier kwam de fooiengewoonte weer terug. De arbeidspatrouilles waren weer opgevolgd door de voorloorlogse politie.’

Ongerust herneemt Orwell z’n frontplichten. Hij raakt gewond, verblijft een paar maanden in hospitalen en sanatoria, en reist in de voorzomer van 1937 andermaal naar Barcelona. In de hal van Hotel Continental (aan de Ramblas; de halve internationale linkse wereld heeft daar in die jaren gebivakkeerd) zit zijn vrouw, die haastig op hem toekomt en in een gespeelde omhelzing in zijn oor sist: ‘Maak dat je wegkomt!’ Kort daarna moet de brave soldaat Orwell als een dief in de nacht Spanje ontvluchten voor leden van het reguliere republikeinse leger dat jacht maakt op alles wat zweemt naar trotskisme en anarchie.

De geschiedschrijving heeft achterhaald dat de centrale regering eind april 1937 de plannen al klaar had om de arbeiders van Barcelona te ontwapenen, en de rechten van de Guardia Civil in heel Catalonië te herstellen. Op 3 mei wordt de telefooncentrale op de anarchisten ‘heroverd’, de volgende dagen vallen in straatgevechten zeker vijfhonderd doden, op 7 mei nemen 5000 man oproerpolitie de macht in Barcelona over. De ‘korte zomer van de anarchie’ eindigt definitief in zes bloedige meidagen.

Zeventig jaar geleden. Zou het volgende week nog ergens worden herdacht? Ik denk het niet. Wie zouden het moeten doen? Anarchie is een droom geweest, de droom waarin alle fooien waren afgeschaft. Als je het Spaans Dagboek van Arthur Lehning terugleest, kan het allemaal eigenlijk ook nooit waar gebeurd zijn.

Rectificatie / Gerectificeerd

In het artikel over Arthur Lehning (Boeken, 27.04.2007) wordt Toke van Helmond de dochter in plaats van de echtgenote van Arthur Lehning genoemd.