De indiaan moet delen tot hij niets meer heeft

Arnon Grunberg ging in Paraguay op zoek naar de christelijke sekte van de mennonieten. Vandaag aflevering 2: „Ze gebruiken wel tractoren om het land te bewerken, maar rubberen banden zijn verboden.”

In het noorden van Paraguay, niet ver van de Boliviaanse grens, wonen in de Chaco jungle een paar duizend mennonieten. Noem het het andere zionistische experiment. Maar dan zonder joden, zonder heilige plaatsen en zonder Palestijnen. Of misschien zijn er ook daar heilige plaatsen, maar dan zijn het de heilige plaatsen van de indianen. En de indianen zwijgen.

Nadat ik heb gezworen de mennonieten niet belachelijk te willen maken is de handelaar in auto-onderdelen Arthur bereid mijn gids te worden.

Arthur neemt me mee naar David Hein, een van de eerste mennonieten die zich hier in Paraguay heeft gevestigd. Hein heeft verscheidene indianentalen geleerd om de ziel van indianen te redden. In een van de indianentalen, die van de Ayoreos, heeft hij zelf de Bijbel vertaald.

Het is midden op de dag. De hitte heeft hier hetzelfde effect als alcohol.

Arthur zegt: „In de buurt van Santa Cruz in Bolivia wonen meer mennonieten dan hier, maar de mennonieten van Santa Cruz zijn traditioneler dan wij. Daar mogen ze bijvoorbeeld maar zes jaar naar school, want te veel weten is slecht voor je. En ze gebruiken wel tractoren om het land te bewerken, maar rubberen banden zijn verboden. Als je te snel gaat, dan kom je in verleiding om te zondigen.”

We zijn bijna bij het huis van David Hein.

„Zijn alle mennonieten blank?” informeer ik.

„Ik heb een donkere vrouw”, zegt Arthur. „Ze is mennoniet, je zou ’t niet zeggen.”

David Hein zit op de veranda. De huizen van de mennonieten zijn zo gebouwd dat de zon de muren niet kan bereiken.

David Hein ziet er Duits uit. Je zou denken dat hij uit Beieren komt, of uit de heuvels rondom Stuttgart. Zoals vrijwel alle mennonieten hier praat hij perfect Duits.

„Mijn vrouw slaapt”, zegt Hein. „Daarom blijven we hier.”

Op tafel ligt een boek

dat hij geschreven en zelf uitgegeven heeft, getiteld Die Ayoreos – unsere Nachbarn.

Voor veel indianen van die stam was David Hein de eerste kennismaking met de beschaving.

„Ik ben geboren in 1930 in de Oekraïne”, zegt Hein. „Onder druk van Rijkspresident Von Hindenburg heeft Moskou ons laten gaan. Het Rode Leger had weinig geduld met de mennonieten. We vertrokken vanuit Bremerhafen per schip naar Buenos Aires. Vandaar gingen we met de trein de Chaco in. In 1927 waren hier de eerste mennonieten uit Canada gekomen. Canada had genoeg van de mennonieten die niet in dienst wilden. Brazilië en Paraguay wilden ons opnemen. De eerste groep mennonieten in Paraguay werd gedecimeerd door de tyfus. Er was hier niets. De indianen noemen dit gebied ‘de groene hel.’ Sommige leden van onze groep wilden hier weg. Maar ik zie het zo...” De stem van Hein wordt nu harder. Zijn magere lichaam lijkt zich ergens tegen te verzetten, maar waartegen?

„Er zijn twee principes op deze wereld: De Führung Gottes en de Zulassung Gottes.”

Hij kijkt me aan alsof hij zich wil vergewissen dat ik met hem instem. Ik herkauw zijn woorden en alleen in het Duits houden ze hun onwrikbare zekerheid. In het Nederlands vertaald krijgen ze een twijfel die de stem van David Hein onrecht zou doen.

„Toen kwam de Chaco-oorlog”, zegt hij weer zachter. „Die heeft ons geholpen.”

De Chaco-oorlog werd tussen 1932 en 1935 uitgevochten tussen Bolivia en Paraguay, met als inzet de Chaco. Er zouden olie en gas te vinden zijn. Aan Boliviaanse kant vielen tachtigduizend doden, aan Paraguayaanse kant sneuvelden tweehonderdduizend militairen. Een aanzienlijk gedeelte van hen kwam om door uitdroging en ziektes.

„De indianen moesten verdwijnen”, zegt Hein. „De Paraguayanen dachten dat de indianen spionnen waren en de Bolivianen dachten dat ook. Zo kwamen we te weten waar de indianenkampen waren. Veel indianen zijn als spionnen terechtgesteld. Op een gegeven moment kwamen ze bij de mennonieten onderduiken. Maar toen kwamen de zwarte pokken. Het grote sterven begon.”

Hein spreekt niet emotieloos, maar wel met de afstand van een man die meent dat alles neerkomt op de leiding van God en dat de mens uiteindelijk geen andere keus heeft dan die leiding toe te laten.

„De Lengua-indianen hadden de gewoonte gekregen hun kinderen te doden als ze werden overvallen. Om te voorkomen dat de kinderen lawaai zouden maken en ze zo zouden worden verraden. Toen de Chaco-oorlog eenmaal was afgelopen bleven ze hun kinderen doden. We hebben hun toen geld gegeven voor ieder kind dat ze in leven lieten. We hebben ook twee Lengua-kinderen geadopteerd, die hebben we Martha en Hermann genoemd. Alle indianen tot aan Vuurland hebben de mongolenvlek op hun billen, heb je die vlek wel eens gezien?”

Die vlek heb ik wel eens gezien. Het is een soort van blauwe plek op de billen. Maar dan een blauwe plek die nooit meer weggaat.

„Door de droogte kwamen de Chulupi-indanen dichterbij. Zij zijn veel agressiever dan de Lengua-indianen. Maar op de indianenschool waar ik heb les gegeven heb ik ook wel eens lichamelijke straffen moeten uitdelen.”

De indianenschool

is een school waar de indianen de grondbeginselen van de westerse beschaving en het christendom krijgen uitgelegd.

David Hein gaat naar binnen en komt met terug met een schoenendoos. In de doos zitten de attributen die hij van de indianen heeft gekregen tijdens zijn beschavingsmissie. Voor het eerst komt er iets van sentiment in Hein los, een eigenaardige liefde voor de spullen in die doos.

„De indianen hebben geen vaste naam”, zegt hij. „Bij de Chulupi heette ik Hij-kamt-zich. Omdat ik zo vaak mijn haren kam. Maar bijvoorbeeld een strijder die veel vijanden doodt kan gaan heten: Meer-dan-twintig-heeft-hij-omgelegd.”

Ik vraag me af wat het feit dat je naam verschillende keren tijdens je leven kan veranderen zegt over het concept van identiteit bij de indianen. Maar hoewel ik indianen zal ontmoeten zal ik het ze niet kunnen vragen. Slechts één indiaan zal een kort gesprek met me voeren, de indiaan die David Hein de taal van de Ayoreos heeft bijgebracht. Hij zal vragen of ik kinderen heb. Als ik nee antwoord zal hij zeggen: „Ik hoop dat je snel papa wordt.”

Op de veranda van David Hein laat ik de versierselen van de indianen door mijn vingers glijden.

„Ik heb met de Bijbel het woord Gods verspreid”, zegt Hein. „Maar ik heb geen oordeel over de indianen. Ze zeggen dat wij de indianen uitbuiten maar dan komen ze allemaal hier om uitgebuit te worden.”

Hij sluit de doos.

„Het zijn verzamelaars en jagers, als de indiaan genoeg te eten heeft voor de dag houdt hij op met werken. We hebben huizen voor ze gebouwd, maar daar willen ze niet in wonen, want dan kunnen ze niet op de vlucht voor de boze geesten. Ze hebben Jezus geaccepteerd maar ze hebben ook nog hun geesten. De indiaan deelt wat hij heeft, als hij niet deelt maakt hij zichzelf te schande. Hij moet delen tot hij niets meer heeft. Wij zeggen: dat is slecht. Maar de indianen hebben een spreekwoord: ‘Hij is zo gierig als een mennoniet.’ ”

Hein is moe. Hij wil naar binnen.

Maar als ik denk dat het gesprek al is afgelopen, zegt hij plotseling: „Ik heb één mankement. Ik kan niet huilen.”

Later zal ik horen dat zijn oudste zoon zich heeft dood gedronken en als ongelovige is gestorven. Over deze zoon mag niet worden gesproken. De mennonieten fluisteren slechts over hem.

(wordt vervolgd)