De enige echte

Paus Benedictus XVI, of beter gezegd: de theoloog Joseph Ratzinger, heeft een doorwrocht boek geschreven over Jezus. Zijn bedoeling is Hem te vrijwaren van alle historische relativering, die eigen is aan de moderne cultuur. Is dat echt nodig?

Joseph Ratzinger / Benedikt XVI: Jesus von Nazareth. Erster Teil. Von der Taufe im Jordan bis zur Verklärung. Herder, 447 blz. € 24,–

Geen alledaags fenomeen: een paus die een gedegen boek schrijft over Jezus van Nazareth. Pausen doen dat gewoonlijk niet, ze schrijven encyclieken of geven een homilie, een preek, uit. Maar deze auteur mag dan paus zijn, Benedictus XVI, hij is tegelijk en van huis uit de theoloog Joseph Ratzinger. In beide hoedanigheden staat hij op het titelblad van Jesus von Nazareth en niet zonder reden, zoals zal blijken.

Wat is het voor een boek, en vooral: wat wil Benedictus XVI/Joseph Ratzinger ermee? Waarom dit boek, en waarom nu?

Laat ik met de eerste vraag beginnen, al vereist dat even doorbijten. De auteur is een theoloog, een kundig theoloog, en daarbij – zoals menig ander theoloog – nogal wijdlopig. In vaktermen gezegd is het boek een christologie, althans het eerste deel ervan; de auteur belooft ons dat er meerdere delen zullen volgen. Een christologie is – het lijkt zo simpel – de kerkelijke leer waarin uiteengezet wordt dat Jezus van Nazareth de kerkelijke Christus is, of omgekeerd: dat de kerkelijke Christus dezelfde is als de historische persoon Jezus van Nazareth. Deze eenvoudige regel herbergt in een notedop heel het theologisch betoog van de paus/theoloog Ratzinger, zoals ik hem in het vervolg zal noemen (tenzij er reden voor is om dat niet te doen).

Het heeft eeuwen en eeuwen van strijd gekost om het zover te krijgen dat de christelijke kerk Jezus als God benoemde, God uit God, ‘eenswezens met de Vader’. Eenmaal aanvaard heeft het leerstuk eeuwen en eeuwen veilig in de armen van de kerk gelegen, totdat in de 18de eeuw de historische kritiek opstond. De Zoon van God een historisch persoon, echt geboren, echt geleefd, echt op het water gelopen, echt opgestaan en ten hemel gevaren? Wat echt gebeurd is, mag en moet onderzocht worden. Dat lijkt een vanzelfsprekendheid, maar eenmaal op touw gezet, bracht het onderzoek de klassieke theologie in een shocktoestand.

Ineens realiseerde men zich dat historische gebeurtenissen de grondslag van het christendom vormden – en dat je daarmee het geloof uitlevert aan de wetenschappen. Want die gaan er tenslotte over wat er nu wel of niet gebeurd is. En stel je voor dat de onderzoeker, op voor iedereen inzichtelijke gronden, moet constateren dat het verhaal niet of nauwelijks geloofwaardig is, wat moet je dan met het geloof in Jezus als de zoon van God?

Op het drijfzand van historische gebeurtenissen kan het geloof niet stevig staan. Dus werd het kiezen of delen: Jezus is voorwerp van historisch onderzoek, en dan wankelt het geloof of krijgt zoveel ruimte als het onderzoek het geeft. Of – andere mogelijkheid – Jezus wordt afgeschermd van het historisch onderzoek; het historisch onderzoek wordt niet van toepassing op hem verklaard, of zo aan banden gelegd, dat het geen echt onderzoek meer is. Dat is natuurlijk niet fraai, gaven de rechtzinnige theologen toe, maar de grondslag van ons geloof: God is echt (als historische daad) in Jezus op aarde verschenen, blijft tenminste overeind.

Op dat punt zet Ratzinger in. Hij moest wel, zegt hij. Want langzamerhand heeft ook onder rooms-katholieke theologen de idee wortel geschoten dat je een historisch persoon met historische middelen mag en moet onderzoeken. En dat heeft niet alleen geleid tot het introduceren van de zogenaamde historisch-kritische methode van Bijbeluitleg, maar navenant en in de nasleep ervan ook tot het loslaten van het oerdogma van de rooms-katholieke kerk: in Jezus van Nazareth kwam Gods Zoon, eenswezens met de Vader, op aarde.

Naar de mening van Ratzinger wordt met dat grondgegeven van de rooms-katholieke leer te veel en te vaak gemarchandeerd. Onder katholieke theologen, en al helemaal onder theologen die buiten de catholica staan. We vinden in het namenregister van het boek dan ook weinig of geen protestantse exegeten, dat spreekt bijna vanzelf. Maar ook gerenommeerde rooms-katholieken ontbreken: noch onze eigen Edward Schillebeeckx, noch Piet Schoonenberg worden genoemd (beide hebben bonje met Rome gehad, dat is waar), noch Bas van Iersel, een van de kundigste West-Europese Bijbelgeleerden.

Wat wil Ratzinger dan zelf? Terug naar het klassieke standpunt. Alle moderne methoden mag je van hem langslopen, als je maar blijft inzien dat ze pas bruikbaar zijn na de geloofsbeslissing – Glaubensentscheidung heet dat zo mooi – dat de evangeliën ons de ware, echte, de historische Jezus zoals hij werkelijk was, uittekenen. Dus niet Albert Schweitzer, niet Rudolf Bultmann (op wie ik nog even terug zal komen), en al helemaal niet de theologen van het in Californië opererende Jesus Seminar, ze worden niet eens genoemd, die Jezus naar de gnostiek toetrekken – Jezus meer als wijsheidsleraar dan als gekruisigde verlosser – maar de Jezus van het christelijk dogma. Te midden van al die ongewisse moderne onderzoekingen die alleen maar verwarring stichten, is dat toch de echte Jezus. Op de historische vraag ‘wie was Jezus?’ laat Ratzinger dus, als van ouds, de dogmatiek het antwoord geven. Anders gezegd: het antwoord wist hij al voor hij met vragen begon.

Merkwaardig, want je zou zeggen: de aankleding van Jezus van Nazareth, de namen die men hem gaf, heel de Jezusverering, tot en met de kijk op zijn persoon als iemand van Boven, is toch een ontwikkeling die in de geschiedenis plaats vond. De religieuze termen waarmee men zijn betekenis wilde weergeven, lagen in de voorstellingswereld van die tijd voor het oprapen. Jezus was als het ware al beschreven voor hij geboren werd, las ik ergens. Dat heet receptiegeschiedenis. Ieder belangrijk mens is eraan onderworpen, zo ook Jezus: Hij wordt aangekleed met de waarderingsoordelen van zijn tijd.

Maar die historie staat toch niet stil? Ratzinger zegt dat zelf als het om de toepassing van de leer gaat. Maar bij de beeldvorming over Jezus is van een receptiegeschiedenis ineens geen sprake meer, of liever: is er maar een klein poosje sprake van, en houdt die geschiedenis halt bij Nicea (325) en Chalcedon (451), de concilies waaruit de traditionele christologie is voorgekomen. Een bepaalde fase in de historische ontwikkeling wordt uit de historische stroom gelicht, op het droge gelegd, en voor sacrosanct verklaard, dat wil zeggen: als van Boven gegeven waarheid.

De woorden over Jezus moeten sedertdien worden opgevat als beschrijvingen, als informatie over Jezus’ ‘samenstelling’, om het wat oneerbiedig te zeggen: echt God en echt mens, twee naturen in één persoon. Maar is de taak waarvoor een theoloog staat niet ook om na te gaan of er werkelijkheid aan de christelijke voorstellingen beantwoordt? Zeggen we hemel omdat er een hemel is of is hemel een segment van een religieuze voorstellingswereld, die gesmeed is uit verbeelding? Zulke vragen kun je niet overslaan, wist Rudolf Bultmann, en hij stelde een program van ontmythologisering op, onder meer in zijn Jesus (1970, vierde editie). Daarover echter bij Ratzinger geen woord.

Maar ik laat deze kant van de zaak verder rusten. Het zal de geïnteresseerde lezer bekend voorkomen, als meer van hetzelfde. En veel gelovigen zullen het wel aangenaam vinden dat de paus, al is het dan in de persoon van Ratzinger, vasthoudt aan de overgeleverde waarheden. Als de geleerden het niet eens zijn, waarom dan niet blijven bij zoals het je altijd verteld is?

Veel intrigerender is de vraag waarom de paus dit boek vandaag de dag het licht doet zien. Wat wil hij ermee? Ik denk dat we al spoedig dat spoor kunnen ontdekken: het boek is bedoeld als een koersboek voor de rooms-katholieke kerk in een tijdperk van verwatering van het geloof. Verwatering door het geloof uitwisselbaar te verklaren met humanisme, algemene mensenliefde, cultuuroptimisme en wat men verder nog als behoudend christen – zo zie ik Ratzinger dus – voor kwalificaties over onze moderne tijd erop na houdt. Het tij dient te worden gekeerd, de gelederen gesloten, de dwalingen aangewezen, de rug gerecht, en dat kan nog het beste met behulp van de verdediging van de klassieke Christus, als Zoon van God. Gemeenschap met hem is de enige weg die de christen met God verbindt. Alle andere wegen, hoe menslievend ook, lopen dood in secularisme.

Jezus predikte – volgens de evangeliën van Matteüs, Marcus en Lucas dan – het komende Rijk van God. Inderdaad een wat lastig na te voelen thema, schrijft Ratzinger, maar men dacht in het verleden aan de kerk, als het daarover ging, de Kerk (hoofdletter) als het middelpunt ervan. Dat deden rooms-katholieke theologen tot op, zeg maar, het Tweede Vaticaans Concilie in de jaren zestig van de vorige eeuw. Maar op dat concilie was het ineens grote wijsheid om niet de kerk maar Christus in het middelpunt te plaatsen, een minder controversieel thema dan kerk. Dat bleek een tijdlang te werken, maar al gauw gingen er stemmen op die vonden dat ook Christus scheiding aanbracht tussen de mensen. Nog beter was het dus om van Christus over te stappen naar God, want Hij is er toch voor alle mensen. Maar tegenwoordig is ook die zwaai nog niet breed genoeg. Wat we vandaag tegenkomen onder christenen is dat het Rijk niet op Christus of op God slaat (ook God kan nog scheiding aanbrengen, vraag maar eens welke God), maar op de wereld en mensheid als geheel. Wat Jezus bedoelde was het ontwikkelen van de positieve krachten die de mensheid inwonen, en het Rijk Gods is zoveel als het vredig samenleven van alle mensen. Bundel alle krachten in die richting, dat is de eigenlijke opdracht aan alle religies. Zolang ze meewerken aan die ene wereld van vredig samenwonen, verdienen alle religies respect.

Dat klinkt mooi zegt Ratzinger, maar het is niet alleen ‘utopisches Gerede’ (utopisch geklets) zonder reële inhoud: ‘Vor allem aber zeigt sich: Gott ist verschwunden, es handelt nur noch der Mensch’. De nieuwe trend ziet Ratzinger als het einde van God, althans van de noodzaak God erbij te halen. De diskwalificatie van de religies is ermee gegeven, inderdaad: religies, staat er, meervoud. Ratzinger zal zich – zoals zoveel behoudende rooms-katholieken – opgejaagd voelen door de standvastigheid van de islam: daar weten ze nog wat vasthouden aan het geloof is. De christelijkheid van de christenen steekt daarbij af als een armzalige vertoning. Gehoorzaamheid, onderwerping is er ver te zoeken. De islam als voorbeeld voor christenen?

Inderdaad, de christelijke identiteit staat op het spel, als de christenen doorgaan op het pad van de alom aangeprezen aanpassing aan de bestaande cultuur. ‘Gott ist verschwunden’, is het resultaat. Met deze lapidaire zin is alles gezegd wat Ratzinger op zijn hart heeft. Want God en Christus (Gods Zoon) en de kerk horen bijeen, ze vormen een drie-eenheid. De kerk gooit haar bovenhistorische oorsprong te grabbel als ze het pad van de wereld opgaat, met welke goede bedoelingen ook.

Kerk en wereld, Augustinus zat er al mee: waar draait het nu om, wat is de spil van het wereldgebeuren? Augustinus koos voor de kerk, vele katholieken en sommige protestanten zijn hem gevolgd. De kerk is er niet om de wereld, de kerk is er om zichzelf, als planting van God. Het lijkt er niet alleen maar op, het is dunkt mij buiten kijf, dat Ratzinger met deze passages het Tweede Vaticaans Concilie de rug toekeert. Paus Benedictus XVI dus.

Ik weet niet wat rooms-katholieke christenen met zijn opvatting willen. Zeer voorzichtig zegt Ratzinger – terecht – dat hij op persoonlijke titel schrijft, u mag mij tegenspreken, graag zelfs.

Die uitnodiging zou ik als recensent in elk geval graag aannemen, en hem zeggen dat ik, zoals iedereen in West Europa, wel zie dat de christelijke kerk bezig is in de cultuur van vandaag op te gaan. Maar dat is wat anders dan in rook opgaan. In ander verband heb ik gezegd dat de christelijke kerk deze ontwikkeling niet moet betreuren, laat ze er veeleer blij mee zijn: ze gaat aan haar eigen succes ten onder, en zo hoort het.

Religies zijn ontstaan als stichters van orde in een wereld waarin geen orde maar chaos heerste. Ook de christelijke kerk behoort tot de historische, reëel bestaande religies. En kijk aan, ze heeft een orde helpen stichten – de Europese cultuur – die sinds jaar en dag op eigen benen kan staan en niet meer de leidsels van de kerk nodig heeft. Het zou sneu zijn als de christelijke kerk haar heil vandaag zou zoeken in het zich afzetten tegen de cultuur. Of sneu? Als Ratzinger, maar laat ik nu zeggen: Benedictus XVI, dat pad serieus op zou willen gaan, kon hij wel eens het laatste restje christelijke inspiratie om zeep helpen.

Wilt u reageren? boeken@nrc.nl