Alleen de lichamelijke liefde telt

George Louis Leclerc, alias Buffon, werd 300 jaar geleden geboren. Hij schreef een 36-delige bestseller over de natuur. Alles komt daarin voor: van het nut van het huisdier tot het ontstaan der planeten – in een stijl die buitengewoon elegant is.

Buffon: Oeuvres. Préface de Michel Delon. Textes choisis, présentés et annotés par Stéphane Schmitt, avec la collaboration de Cédric Crémière. Gallimard. 1677 blz. €65,–

In Flauberts Dictionnaire des idées reçues, een hilarische collectie burgerlijke gemeenplaatsen, komt ook een uitspraak voor over Buffon: ‘trok manchetten aan om te schrijven’. Zo luidt dus het cliché over de grootste Franse bioloog van de 18de eeuw. Als hij schreef stak hij zich in speciale kanten manchetten, een ‘luxe’ die Flaubert zelf overigens wel kon appreciëren. In dit geval is het cliché ook nog een beetje waar, want Buffon (1707-1788), auteur van een reusachtige Histoire naturelle, werd in Flauberts tijd meer gewaardeerd als schrijver dan als wetenschapper.

Tegenwoordig lijkt dat niet anders te zijn, aangezien Buffon nu – precies 300 jaar na zijn geboorte – met een fraaie selectie uit zijn magnum opus, aangevuld met enkele daarnaast gepubliceerde teksten, is toegelaten tot de Bibliothèque de la Pléiade, het walhalla van de Franse literatuur.

Dat wil niet zeggen dat Buffon geen enkele wetenschappelijke betekenis heeft gehad, laat staan dat het hem aan wetenschappelijke pretenties heeft ontbroken. Maar veel van zijn ideeën zijn sinds Darwin geschiedenis geworden: niemand gelooft er meer in. Daarom mag Buffon blij zijn met alle literaire waardering, want terwijl de wetenschap onherroepelijk veroudert, heeft grote literatuur zoals men weet het eeuwige leven.

Voor Buffon zelf, net als voor de meeste 18de-eeuwers, speelde het onderscheid tussen literatuur en wetenschap nog nauwelijks, getuige het onderwerp van zijn Discours de réception toen hij – in 1753 – in de Académie Française werd opgenomen. Buffon sprak namelijk over de ‘stijl’, zonder dat iemand dat vreemd vond van een bioloog.

In dit Discours sur le style (dat in de nieuwe Pléiade-editie staat) komt de beroemde frase voor: ‘le style est l’homme même’, wat niet wil zeggen dat een schrijver in zijn stijl zijn karakter onthult. Voor zo’n romantische interpretatie was Buffons smaak veel te klassiek. Wat hij bedoelde was dat niet de inhoud van een wetenschappelijk werk als zijn eigen Histoire naturelle van de mens was (want die had de mens niet geschapen), maar alleen de stijl, dat wil zeggen ‘de orde en de beweging die hij in zijn gedachten aanbrengt’.

Bij Buffon is die stijl ongewoon welsprekend en elegant, nog altijd een groot genoegen om te lezen. In gedachten zie je een ademloos luisterende salon, terwijl Buffon met kanten manchetten aan zijn verhaal doet. Het beeld is bedrieglijk, want we weten dat Buffon niet bekend stond als een goed spreker. En bovendien ook niet dol was op het Parijse mondaine leven. Hoewel hij voortreffelijk zijn weg had weten te vinden in de wereld van hof en salon, met groot profijt voor carrière en fortuin, verbleef hij veel liever in zijn eentje of met een paar vrienden op zijn landgoed te Montbard in de Bourgogne. Parijs vergeleek hij ooit met de ‘hel’.

In Montbard schreef hij zijn boek en regeerde hij over een kleine wereld die hem van jongs af aan vertrouwd was, want in Montbard was hij op 7 september 1707 als George-Louis Leclerc (Buffon was de naam van zijn landgoed, nadien per koninklijk decreet verheven tot een graafschap) geboren, achterkleinzoon van simpele boeren die zich hadden opgewerkt tot landeigenaren en hoge functionarissen. Buffons vader was conseiller bij het Parlement in Dijon, waar de zoon in 1723 rechten ging studeren.

Buffon studeerde wel af, maar is nooit als jurist actief geweest. Zijn grote passie was de wiskunde, in het bijzonder de differentiaalrekening en de kansberekening, iets waaraan nog altijd de ‘naald van Buffon’ herinnert – een verwijzing naar een van de eerste ‘mémoires’ die hij in Parijs presenteerde aan de Académie des Sciences. Als je keer op keer een naald laat vallen op een vlak tussen twee lijnen, hoe groot is dan de kans dat de naald deze lijnen raakt? Buffon bedacht er een wiskundige formule voor.

Vervolgens verdiepte hij zich in de mogelijkheden om de kwaliteit van hout te verbeteren – op verzoek van een minister van Louis XV, die degelijker materiaal wenste voor de schepen van de koninklijke marine. Buffon was niet te beroerd om er in Montbard een boomkwekerij voor op te zetten en vlijtig aan het experimenteren te slaan. Het leverde hem de gunst van de minister op en het gevolg daarvan was dat hij in 1739 werd benoemd tot intendant van de Jardin du Roi, een zeer prestigieuze functie. Zo kwam hij na de wiskunde bij de natuurlijke historie terecht.

Tot de taken van de intendant behoorde het samenstellen van een ‘catalogus’ van de koninklijke tuin en de daarin aanwezige collecties van onder meer opgezette dieren, schelpen, mineralen, skeletten en fossielen. Buffon besloot er iets veel meer omvattends van te maken en daarmee was het plan voor zijn Histoire naturelle geboren, die zowel générale als particulière moest worden. Het laatste was destijds gewoon (biologen beschreven de wonderen der natuur en détail om het superieure vakmanschap van de Schepper te demonstreren), het eerste niet. Wat kon een ‘algemene’ natuurlijke historie inhouden?

In het methodische Premier discours van zijn boek schrijft Buffon dat zo’n natuurlijke historie een ‘immense geschiedenis’ is, die ‘alle objecten omvat welke het universum ons aanbiedt’. Aan ambitie geen gebrek. Maar Buffon wilde het ook nog eens op een nieuwe manier aanpakken. Hij zette zich af tegen de strikt mathematische benadering van de natuur à la Descartes en bekende zich, zoals zoveel Franse Verlichtingsdenkers, tot de empirische aanpak van Locke en Newton, maar die moest hij op het gebied van de biologie nagenoeg uitvinden. Het werd combinatie van zoveel mogelijk feiten en gegevens verzamelen én een stoutmoedige poging om in dat oeverloze materiaal naar algemene regels en wetten te speuren, ongeveer zoals Montesquieu dat tezelfdertijd deed met het recht en de politiek in zijn De l’esprit des lois.

In 1749 verschenen de eerste drie delen – het werden er 36, helaas niet genoeg om alles te behandelen. Alleen het ontstaan van de aarde en de planeten (als gevolg van een komeetinslag in de zon, waardoor deeltjes van de zon in het heelal waren geslingerd) en daarna de mens, de zoogdieren, de vogels en de mineralen alsmede het gesteente zijn aan de beurt gekomen; de insekten, de vissen, de reptielen en de planten vielen buiten de boot.

Desondanks is het resultaat indrukwekkend geworden. En bijzonder onderhoudend, dankzij de vele, vaak bizarre, overal vandaan geplukte verhalen, de diverse verwijzingen naar eigen ervaringen en experimenten, de plastische beschrijvingen, de nuttige wenken en niet te vergeten de soms wilde speculaties waaraan de auteur zich overgeeft en die aan het geheel een visionaire glans verlenen.

Een van die speculaties betreft de herkomst van de soorten, waarover Buffon schrijft in zijn hoofdstuk over de ezel. Misschien is de ezel wel een ‘gedegenereerde’ versie van het paard (want degeneratie zag Buffon als de weg waarlangs de soorten konden veranderen), wat zou betekenen dat paard en ezel familie zijn van elkaar. Misschien geldt hetzelfde ook wel voor aap en mens, oppert Buffon, om vervolgens te bedenken dat elke familie wellicht ‘één stamvader’ heeft. En hij eindigt met de mogelijkheid ‘dat alle dieren afkomstig zijn van een enkel dier dat in de loop der tijd door zich te vervolmaken en te degenereren alle rassen der overige dieren heeft voortgebracht’.

Het staat er tussen neus en lippen, maar ongetwijfeld is dit een van de passages geweest waarvan Darwin heeft gezegd dat ze ‘laughably like mine’ waren. In veel andere opzichten was Buffon bepaald niet als Darwin, bijvoorbeeld in zijn principiële antropocentrisme, dat ook de indeling van de Histoire naturelle bepaalt. Van de classificatie van de soorten, zoals bedacht door Linnaeus (van wie we dit jaar eveneens de driehonderdste geboortedag vieren), moest hij niets hebben. Zulke ordeningen berustten op willekeur en zeiden niets over de werkelijkheid. Buffons eigen indeling lijkt nauwelijks minder willekeurig, maar hij heeft haar wel helder beredeneerd: omdat de kennis van de wereld altijd gerelateerd is aan onszelf, begint hij met de mens, zijnde het onbetwistbare ‘meesterwerk’ van de dierenwereld.

De volgorde van de rest wordt bepaald door hun relatie tot (en hun nut voor) de mens. Dus eerst komen de ‘huisdieren’, te beginnen met het paard, daarna volgen de Europese wilde dieren, en tenslotte de andere zoogdieren, de vogels en het gesteente. Hoewel de ‘dierlijkheid’ van de mens niet wordt ontkend, bevestigt Buffon de menselijke superioriteit op grond van het denkvermogen, dat nu eenmaal bij de overige dieren ontbreekt. Schitterend en typerend voor Buffons literaire imagination is de passage waarin hij zich inbeeldt, schrijvend in de ik-vorm, hoe de eerste mens zich voor het eerst bewust wordt van de wereld om hem heen. Maar niet minder pakkend is de midlife crisis die wordt geanalyseerd in een passage over de tussen animaliteit en redelijkheid verscheurde homo duplex (A.F.Th. opgelet!): op middelbare leeftijd valt menigeen ten prooi aan onverschilligheid en ambitieloosheid, vooraf gegaan door ‘weerzin’ en gevolgd door ‘verveling’.

Zelf had Buffon er, voor zover bekend, geen last van. In een brief schrijft Voltaire over hem: ‘Het lichaam van een atleet en de ziel van een wijze, ziedaar wat je nodig hebt om gelukkig te zijn’. Gelukkig was Buffon, schrijvend in Montbard, vele uren per dag. Om op tijd te kunnen beginnen had hij zijn knecht een écu beloofd voor elke keer dat hij erin zou slagen hem vóór zes uur ’s ochtends te laten opstaan. Omdat Buffon een zware slaper was, viel dat niet mee, maar ook toen de knecht op een keer in wanhoop een kan koud water in bed kieperde, leverde hem dat – zoals beloofd – een écu op.

De ‘wijze’ Buffon heeft zijn geluk niet laten verstoren door liefdesverdriet. Trouwen deed hij pas op latere leeftijd, tot die tijd en ook daarna placht hij zich te behelpen met makkelijke dienstertjes en tijdelijke maîtresses, ervan overtuigd (zoals hij in de Histoire naturelle schrijft) dat van de liefde alleen de ‘fysieke’ kant de moeite waard was. Wellicht mede om die reden vinden we in zijn boek een typisch verlichte veroordeling van besnijdenis, infibulatie (het dichtnaaien van geslachtsdelen) en castratie, terwijl de cultus van de maagdelijkheid volgens Buffon berustte op allerlei ‘lachwekkende vooroordelen’. Daar staat tegenover dat hij monogamie als een ‘natuurwet’ beschouwt, anders waren er niet evenveel mannen als vrouwen geweest. Maar seksuele onthouding zou weer slecht zijn voor de gezondheid.

Met stoïcijnse gelijkmoedigheid betoogt Buffon dat de dood bij het leven hoort en dus niet iets is om bang voor te zijn. De hele natuur verjongt zich door middel van destructie, wat het bestaan van roofdieren (en de mens is de ergste van alle) rechtvaardigt. Het paard noemt hij, in een beroemd geworden formulering, de ‘nobelste verovering’ van de mens. De hond is ook bij Buffon een trouwe viervoeter, de kat daarentegen blijkt een wezen te zijn met een ‘aangeboren boosaardigheid’ en een ‘vals karakter’, in tegenstelling tot de olifant van wie de intelligentie – aldus Buffon - die van de mens lijkt te benaderen.

Het klinkt nu misschien een beetje potsierlijk, maar al deze opvattingen komen op volstrekt vanzelfsprekende wijze aan bod in een vloeiend betoog waarin Buffon mens en dier beschrijft in relatie tot elkaar en tot hun natuurlijke omgeving. Daardoor worden zijn beschrijvingen veel meer of liever iets totaal anders dan de beschrijvingen die slechts tot doel hadden ontzag voor de Schepper van dit alles te wekken. God speelt in de Histoire naturelle geen rol van betekenis, al wordt hij soms voorzichtigheidshalve genoemd. Bij Buffon is de natuur een geheel van betrekkingen dat op eigen kracht werkt, en van die werking krijgen we een even levendig als veelzijdig beeld, waarbij de schrijver zijn eruditie, zijn kennis en zijn ervaringen onbekrompen heeft aangesproken.

Dat was in de 18de eeuw iets nieuws, waarvoor het lezende publiek massaal naar de boekhandel is gesneld. Buffons Histoire naturelle werd een van de grootste bestsellers van 18de en 19de eeuw. Tussen 1749 en 1885 moeten er meer dan vijftig complete uitgaven van zijn verschenen, naast talloze bloemlezingen en speciale edities voor de jeugd, voor de school, voor het gezin en voor wat al niet, en naast vertalingen in alle belangrijke Europese talen, inclusief het Nederlands.

Dit gigantische succes is inmiddels ook geschiedenis, net als Buffons wetenschappelijke belang. Maar mede dankzij dit nieuwe, als altijd voorbeeldig verzorgde Pléiade-deel hoeft dat hopelijk nog niet te gelden voor zijn schrijverschap.