Ach Livven Hier

Dertigste aflevering van een serie over het gewone en ongewone leven van bekende en onbekende bomen in Nederland.

Noorbeek zelf, zo klein als het is, heeft al twee bomen om even bij stil te staan, allebei bij het wat in zichzelf gekeerde kerkje.

Daar is de Brigida-den, een kale staak van aanzienlijke lengte, met nog een toefje kroon in de top. Deze wordt elk jaar op de tweede zaterdag na Pasen vervangen door een nieuwe. De ongetrouwde mannen van het dorp halen dan een soortgelijke den uit het bos en dragen hem met het nodige ceremonieel over aan de getrouwde mannen van het dorp, die geacht worden hem zonder mechanische hulpmiddelen overeind te zetten. Dit alles ingevolge een gelofte aan de Heilige Brigida, dit jaar voor de 373ste keer.

En daar is een werkelijk vorstelijk plataan, die uit de Franse tijd zou stammen. In 1870 hadden kerkbestuur en gemeentebestuur al een conflict over het eigendom van deze boom, waarschijnlijk met het oog op de houtopbrengst. Maar een kleine eeuw later stond hij er nog, en toen is er een burgemeester over gestruikeld.

Burgemeester Wolfs wou hem in 1959 om veiligheidsredenen laten kappen. De gemeenteraad kreeg hij wel mee, maar de bevolking, verenigd in harmonie, schutterij, boerenbond en wat dies meer zij, kwam in opstand. Plataan gered, burgemeester de laan uit. Nee, deze plataan maakt niemand wat, en dat schijnt hij te weten ook. Hij heeft intussen de kerkhofmuur volkomen uit zijn voegen getild. Naar verluidt is hij met zijn wortels ook de kelder van de culinaire verswinkel van Nuijts binnengedrongen – maar dáár schijnt men toch de bijl te hanteren.

Lopen we nu over de Onderstraat het dorp uit, dan kunnen we weldra in zuidwestelijke richting een landweggetje op. Hier klinkt het bedwelmende zangetje van de geelgors.

Halverwege de helling krijgt dit weggetje een hoge kant. Daar staan een paar flinke (en wat kleinere) exemplaren van zoete kers, een voorzaat van onze huiskersen. Forse stammen met hier een bloedrode kerf in de schors, merkwaardig gebandeerd en gerafeld, en hier en daar al even merkwaardig afgeplat.

Ze zijn volop in bloei vandaag, staan geheel in wit gehuld. Hier zoemt het van de insekten. En wat nog meer opvalt: de openingen van een dassenburcht, die getuige de graaf- en loopsporen nog bewoond is. Dit zou een verklaring kunnen zijn. Dassen eten in het najaar de vruchten van zoete kers (niet bepaald vlezig en eerder bitter dan zoet) en deponeren de pitten in hun latrines (dassenputjes).

Bloeiende zoete kersen staan schitterend in het open veld. Maar het zijn wilde bomen. Ze kunnen zich ook als volwaardige bosbomen manifesteren, brutaalweg hun plaats innemend tussen alles wat er nog meer in het bos kan staan.

Onze weg vervolgend komen we bij een solitaire beuk. Die staat precies bovenop de heuvel, pal op de Belgische grens. Die heeft in dit golvende land een uitzicht dat je voor eeuwig met hem zou willen dienen – een boom is altijd buiten, een boom is altijd thuis. Ja, hier zou je haast een gedicht beginnen, maar er ís al een gedicht.

In deze machtige schaduw is een ijzeren kruisbeeld neergezet met de regels: Livven Hier/ es ich Dich ’ns zeuk/ vin ich Dich a g’n beuk ...als ik u eens zoek, vind ik u aan deze boek. „Daar kun je God ontmoeten”, zei ik eens tegen een vriend bij een beschrijving van deze plek.

„God kun je overal ontmoeten”, antwoordde hij fijntjes.

Verder maar weer. Nu kunnen wij ons eindelijk losrukken van het dal van de Noor.

De rest van de dag, een koele maar zonovergoten woensdag, heuvel op, heuvel af, eerst rond St.Martens-Voeren, daarna rond Slenaken, het dal van de Gulp. Steeds hebben we zicht op kleinere of grotere bospartijen, soms een complete dalwand met het rijk geschakeerde groen van een lente die het land stormenderhand heeft veroverd. En overal plukken wit – het stralende, smachtende, smeltende wit van zoete kers. De hele dag het gevoel dat je precies op tijd bent.

Koos van Zomeren

Met dank aan George Gubbels van de Stichting Heem en Groen te Noorbeek.