Vliegjes

Bij de apotheker stond ik wat weg te dromen aan de toonbank, terwijl een assistent met mijn recept op zoek ging naar het voorgeschreven geneesmiddel. Mijn lot was nu even helemaal in zijn handen. Of ik me de komende dagen goed zou voelen, hing van hem, en niemand anders, af.

Merkwaardig idee. Zou hij het wel eens als een druk voelen – dat risico dat de volgende dag iemand huilend en brakend op de stoep stond, omdat hij het verkeerde middel had geslikt? Of zou hij dan cynisch denken: er gebeuren wel ernstiger ongelukken in de medische wereld van Nederland, 1.735 doden per jaar, waar hebben we het over?

Intussen was een vrouw van een jaar of zestig de winkel binnengestapt. Ze had onmiskenbaar stijl, zoals ze daar met rechte rug stond in een grijs, linnen jasje boven een donkere broek en om haar hals een sjaal, waarin de kleuren van haar kleren onnadrukkelijk terugkeerden. Haar grijze haar hing goed geknipt tot op de schouders.

Ze aarzelde even en zei toen in zeer beschaafd Nederlands tegen een tweede assistent achter de toonbank: „Ik wilde u wat vragen. Ik heb de laatste dagen allemaal van die rare vliegjes in mijn haar. Wat denkt u? Kunnen dat luizen zijn?”

Ze haalde een plastic zakje tevoorschijn, waarin een dot watten zat, en maakte aanstalten het te overhandigen. Als ze een door Bin Laden persoonlijk vervaardigde clusterbom over de toonbank had geworpen, zouden de gevolgen niet veel anders zijn geweest.

De assistent, een jonge man die nog nooit veel reden had gehad om voor zijn leven te vrezen, deinsde achteruit. „Dat mag u bij u houden’’, zei hij streng. Hij bleef staan waar hij stond, een flinke meter achter de toonbank.

Ook ik had onwillekeurig een stapje opzij gedaan, een heimelijke schuifelmanoeuvre om de vrouw op afstand te houden. Zij dreigde daardoor in een toestand van quarantaine te raken, alsof ze op het punt stond ons met de verschrikkelijkste virussen te besmetten. Overdreven misschien, maar had ú dat zakje dan wel aangenomen?

„Weet u hoe luizen eruitzien?”, vroeg de vrouw.

„Nee”, zei de assistent.

Ik ook niet precies, dacht ik, wat wereldvreemd eigenlijk.

„U wilt echt niet even kijken?”

„Ik zou het niet doen”, adviseerde de andere assistent zijn collega, terwijl hij met mijn geneesmiddel naar de toonbank terugliep.

De vrouw borg het zakje op. „Ik begrijp het”, zei ze zacht.

„Bent u al bij de huisarts geweest?”, vroeg de jonge assistent.

„Ik heb ’m gebeld, maar hij had weinig tijd.”

„Ik zal kijken of ik iets voor u heb”, zei de assistent en zette koers naar de schappen achter zich.

Ik keek tersluiks naar het grijze haar van de vrouw. Was dit onberispelijke kapsel een haard van ongedierte geworden. En hoe? Waren ze misschien via haar kleinkinderen op haar overgesprongen? Op scholen waarden veel luizen rond, dat was bekend.

De volgende dag, toen ik een vlaagje jeuk op mijn hoofd wegkrabde, moest ik weer even aan de mevrouw en haar plastic zakje denken. Op je zestigste heb je, na een goed en schoon leven, opeens luizen. Heer, waar is dat nou weer voor nodig?