Triomftocht

Ik woon in een haarspeldbocht. Ik kan elke kaart van dit land pakken, de lus in de weg aanwijzen en zeggen: „Daar woon ik.” Die zit. Hoeveel mensen kunnen zeggen dat ze in een haarspeldbocht wonen? Voor de jaloezie opwelt en geheel bezit van u neemt, lezer, moet ik u waarschuwen: het wonen in een haarspeldbocht kent nadelen.

Het kan leiden tot zinsbegoochelingen. Het kan de aandacht van baldadige automobilisten naar je toetrekken, wat voor schuchtere halzen als ik niet altijd aangenaam is. Maar vooral biedt het verruimde entree- en uitgangsmogelijkheden voor honden. Alle honden die ik nu heb zijn in mijn lus blijven haken, aangeslibd of gedumpt, en alle honden die ik ooit had werden geveld door de dubbele hoeveelheid weg. Voor de monsters van het vrachtverkeer is een lijfje dat drentelt en kwispelt geen partij.

Soms lag er eentje op het asfalt, met zijn kop als een geplette bloedpannenkoek en zijn kont nog in de lucht.

Een ander hondje, een pienter teefje dat zowel Nederlands als Portugees verstond, was compleet onder de banden terechtgekomen. Ik zie Berto, de buurjongen, nog het pad oplopen, wapperend met een hondvormige doek. Een derde werd doormidden gereden, een vierde zocht jammerend de greppel op en zweeg. Jezus Christus.

Af en toe zijn er ook mensen, gelukkig, die vaart minderen om een puppy uit de auto te zetten en in de lus aan zijn lot over te laten. Of dorpelingen schuiven een teefje waarvan de baas is gestorven het tuinpad op, zoals laatst Couscous.

Uiterlijk bedriegt. Ze ziet eruit als een worst, maar ze heeft een hemels karakter.

Ik ben niet sentimenteel over honden, maar ik kan er wel om janken. Ik leef als het ware tussen honden, tussen hun blikken en snuffelroutes, ik voel me door ze omringd. Ik beweeg me over een hondenlandkaart. Als ik naar iets goddelijks verlang kan ik bij ze terecht. Ik ga bij ze te rade en krijg antwoord, een antwoord dat ik niet zou krijgen door biddend op een matje te gaan liggen.

Ik zou nooit lid van een partij voor dieren worden, tenzij de voorzitter een hond zou zijn. Ik hoop dat honden juist de goedheid willen tonen mij tot hun partij toe te laten. Die goedheid tonen ze.

Naar de goedheid van de mens is al eeuwen een legioen kabouters met lantaarns en schijnwerpers op zoek.

Er was een periode dat ik neerbuigend deed over honden. Omdat ik dacht dat het moest. Omdat ik het interessant vond staan. Omdat ik bepaalde mensen na-aapte. Honden hebben geen ziel, hoorde ik beweren. Hoe meer ik op de ziel van de mensen ging letten, hoe heiliger ik aan de compleetheid van de hond begon te geloven.

De ziel, een fopspeen.

Gisteren, op een terras bij het water, drentelden vier zwerfhonden om mijn voeten. Ongewassen mormels, de een met anderhalf oor en de ander zonder staart. Alle vier zo groot als een schoenendoos. Er waren twee moslimtypes bij, een hondje met een joodse inslag en een komische speknek. Vannacht droomde ik dat ze me waren gevolgd naar huis. Ik liep voorop en sloeg op een rinkelbom.

Gerrit Komrij