Strijd, zelfs om wat schaduw

Sinds een maand wordt er weer volop gevochten in de Somalische hoofdstad.

Burgers slaan massaal op de vlucht. Ook voor journalisten wordt het te gevaarlijk.

Kahdra Mohammed heeft sinds in 1991 in Somalië de burgeroorlog uitbrak, alle fases van de strijd meegemaakt. „Maar wat nu gebeurt, is niet te geloven”, vertelde de Somalische maandag op de BBC-radio. Mohammed werkte in de hoofdstad Mogadishu voor de afdeling-Swahili van de Britse wereldomroep. Deze maand ontvluchtte ze met haar gezin het oplaaiende geweld.

Na enige weken van relatieve rust wordt er sinds eind maart weer volop gevochten in Mogadishu (2 miljoen inwoners). Mohammed en haar vijf kinderen behoren tot de – naar schatting van de Verenigde Naties – 320.000 inwoners die het oplaaiende geweld in Mogadishu inmiddels ontvlucht zijn.

Troepen van de interim-regering, gesteund door militairen uit buurland Ethiopië, bevechten er militiestrijders. Beide partijen maken veel burgerslachtoffers. Er zouden de afgelopen dagen honderden doden zijn gevallen. Maar volgens Mohammed zijn dat er eerder „meer dan duizend”. „Ik had nooit gedacht dat er nog een tijd zou komen dat ik over rottende lijken zou moeten springen om het geweld te ontvluchten”, vertelde de radiomaakster haar BBC-collega’s nadat ze veilig was aangekomen in buurland Kenia.

Te midden van al het geweld is het voor meer westerse nieuwsorganisaties te gevaarlijk en te duur geworden nog in Mogadishu te blijven. Voor zover bekend hebben alleen de Franse en Amerikaanse persbureaus AFP en AP en het Franse dagblad Le Monde nog verslaggevers in de stad zelf. Zij tellen er de inslagen en schotenwisselingen. Verder berichten ze op basis van ooggetuigen die ze voornamelijk telefonisch spreken. Tussen de beschietingen door gaan ze soms de stad in.

Dinsdag was AP even in het Medina-ziekenhuis, het grootste van de stad. Het wordt overstroomd met gewonden, „maar er is niet genoeg verband om alle wonden te verbinden en zelfs de medicijnflessen raken op”, aldus het AP-verslag. „Buiten het ziekenhuis wordt nu zelfs gestreden om de schaduwen van de bomen”, vertelde ziekenhuisdirecteur Dahir Dhere.

Vorige week waarschuwden de VN dat in de stad een humanitaire ramp is ontstaan. Door de onveiligheid, de controleposten en de bureaucratische rompslomp komt de hulp niet tijdig bij ontheemden. En gisteren zeiden westerse diplomaten dat de interim-regering de noodhulp opzettelijk vertraagd met allerlei onnodige inspecties.

Ook VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon veroordeelde het geweld de afgelopen weken meermaals. Vrijdag nog riep hij alle partijen op de strijd onmiddellijk te staken en de hulpverleners toe te laten. De interim-regering en de opstandelingen zouden om de tafel moeten gaan zitten voor een grote verzoeningsconferentie, zei Ban.

Maar vooralsnog zijn er geen tekenen dat de partijen snel zullen ophouden elkaar te bestoken vanuit hun eigen afzonderlijke invloedsgebieden in de stad. De opstandelingen hebben hun technicals (pick-uptrucks met een stuk geschut in de laadbak). Verder schieten ze met mortieren en rocket propelled grenades (RPG’s). Ook plegen ze sinds enige tijd zelfmoordaanslagen met bomauto’s. De Ethiopiërs en regeringstroepen beschikken over een luchtmacht, tanks en artillerie.

De Ethiopiërs zijn in het land sinds Kerst. Ze schoten toen de internationaal gesteunde, maar verder machteloze interim-regering te hulp bij het verjagen van de Unie van Islamitische Rechtbanken. Deze coalitie van verscheidene fundamentalistische groepen had na zestien jaar anarchie enige orde en gezag teruggebracht in de hoofdstad en grote delen van Zuid-Somalië. Zij sloegen na de Ethiopische invasie op de vlucht of hielden zich schuil. Inmiddels hebben ze de wapens weer opgepakt.

Dat de opstandelingen voorlopig van plan zijn door te vechten bleek toen Le Monde maandag de stemming peilde in de wijk die onder controle is van de oud-strijders van de Unie van Rechtbanken. Ze duidden zichzelf aan als de mukhawama (het verzet). De wijkcommandant gaf de volgende visie op de situatie: „Eerst bombarderen ze zodat de bevolking op de vlucht slaat. Vervolgens gaan ze door in de hoop ons uit te schakelen, maar ze durven niet eens hun troepen naar onze wijk te sturen.”

Te midden van dit geweld verliep ook de vlucht voor Mohammed en haar vijf kinderen – de jongste drie jaar oud – zeer moeizaam. Voor ieder gezinslid moest ze omgerekend 20 dollar neerleggen om mee te kunnen in een vrachtwagen die hen buiten de stad bracht. In een andere truck reisden ze tot de Keniaanse grens.

„We overleefden op watermeloenen tijdens onze driedaagse tocht onder de schroeiende zon. Ik sliep amper, iedere nacht moest ik de wacht houden. Wilde dieren hadden zich te goed aan ons kunnen doen, militieleden hadden ons kunnen aanvallen.”

Twee keer werd hun vrachtwagen beschoten door strijders om geld van hen af te persen. Haar kinderen worden nog midden in de nacht wakker door de nachtmerries. Mohammed heeft het meeste „medelijden met de arme mensen in Mogadishu die doodgaan omdat ze het geweld niet kunnen ontvluchten”.