Ruik ik daar zee in de gracht?

Levensvragen zijn tijdrovend; nrc.next richt zich op alledaagse mysteries.

Vandaag: waarom ruikt de Amsterdamse gracht naar zee?

De Amsterdamse grachten ruiken naar de zee. Soms. Ik ruik het. Een frisse lucht, stil en sober. Maar waarom? Onduidelijkheid alom. Ik pols een collega en stadsgenoot. „Het heeft met stromen te maken. Of met zand. Bij de waterschappen weten ze het vast.”

Op naar het waterschap. Francis Geldorp van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht: „Ik weet dat er zout in die grachten zit. Of dat veel is, weet ik niet. Ik moet dit doorgeven aan de regio.” Maar ook ‘de regio’ blijft het antwoord schuldig. Ik begin te twijfelen aan mijn neus. Tijd voor een bioloog.

Lucas Stal, hoogleraar marine microbiologie aan de Universiteit van Amsterdam: „De typische zeelucht komt van dms.” Dms? „Dimethylsulfide. Dat is door bacteriën omgezette dmsp.” Dmsp? „Dimethylsulfoniopropionaat. Zoutwateralgen maken dmsp, en bacteriën zetten dat om in dms. En dms zorgt voor die ziltige lucht.” Ik, triomfantelijk: „Dat is het antwoord?” Stal: „Nee. In de Amsterdamse grachten zitten geen zoutwateralgen.” Waarvoor dank.

Ook stadsecoloog Martin Melchers is niet te vermurwen. „Nee, de grachten zijn echt niet zout. Daarvoor zijn ze te ondiep.” Een telefonisch hoorcollege over zout en Amsterdam volgt. Over de IJmuider sluizen die zout water doorlaten. Over zout in het Noordzeekanaal, dan het IJ, dan het Amsterdams Rijnkanaal. Over zoutwatervissen. Haring, wijting, zeebaars, steenbolk, tong. En, niet te vergeten, de straalvinnige diklipharder. Melchers zwijgt. Hij moet er vandoor. „Aziatische korfmossels vangen.”

Mijn vraag en ik blijven achter. Waarom ruiken de Amsterdamse grachten naar de zee? Ik waag een laatste poging en bel een gepensioneerde hoogleraar aquatische milieubiologie, Luuc Mur.

„Kopenhagen, daar ruikt het naar de zee!,” roept Mur uit. Prachtig. En Amsterdam? „Mm, dms-algen kunnen het niet zijn, nee.” Stilte. „Wat het kan zijn, is de geur van een gereduceerde zwavelverbinding. Waterstofsulfide. Dat gas ruikt in hoge concentratie naar rotte eieren. Maar in lichte concentratie kan ik me indenken dat het die wat zoutige zeelucht voortbrengt.”

Mur wikt en weegt. Dan zet hij zijn theorie kracht bij. „Waterstofsulfide zit in de modder van de grachten. Maar door de bijna dagelijkse doorspoeling van die grachten neemt de concentratie van het gas niet toe. Daardoor stinkt het niet.” Maar het ruikt wel. Naar de zee. Echt waar.