Mijn doden zijn er altijd

Onder pseudoniem Anne Hermans deed een arts-in-opleiding 2 jaar lang verslag in NRC Handelsblad van haar stage in een ziekenhuis.

Over medische blunders schreef zij deze column.

Laaiend komt de verpleegkundige vandaag op me af. „Waar is Thomas? Hij heeft een tien keer te lage dosis voorgeschreven. Meneer Peters is dus sinds gisteren nauwelijks behandeld!” Ik schrik als ik mijn handschrift op het recept herken. „Ik, ehh... dat was ik”, geef ik beschaamd toe.

Als co-assistent worden officieel al je handelingen gecontroleerd door de zaalarts. Maar na zes weken samenwerken zet Thomas graag ongezien zijn handtekening onder mijn recepten. „Klopt het?” grijnst hij dan. Ik knik en hij tekent.

„Maar het klopte niet!” dreunt er nu door mijn hoofd. Ik herinner me weer hoe ik gisteren vluchtig dat recept schreef. Mijn maag knorde en ik vroeg me af: „Kipkerrysalade of kaas bij de lunch?”

Als meneer Peters een week later alweer volledig hersteld is van zijn longontsteking, vervloek ik mijzelf nog in de bus naar huis. „Kipkerry! Dankzij jouw dromen lag die man een dag extra doodziek op de afdeling!”

Ik moet plotseling denken aan een onderzoek naar medische fouten. Statistisch gezien maakt een arts gemiddeld 1,4 dodelijke fouten in zijn loopbaan. Ik stel me die ‘mediane arts’ voor. Is hij net als ik dagelijks zijn sleutels kwijt? Gooit ook hij zijn banaan in de prullenbak en stopt gedachteloos de schillen in zijn mond? En arriveert hij bij een sollicitatie met zijn shirt binnenstebuiten? Met een zucht besef ik dat ik nooit die ‘mediane’ arts zal worden. Ik vrees dat een schatting van drie doden in mijn toekomstige carrière zeker niet overdreven is.

Drie doden... Starend uit het raam zie ik ze opeens haarscherp voor me: De eerste is een oude man. Hij presenteert zich met hoofdpijn na een val. Ik heb een kater en vind een CT-scan niet nodig. Twee dagen later overlijdt hij in zijn slaap aan een hersenbloeding. De tweede dode is een vrouw van nog geen veertig. Drie dagen voor mijn zwangerschapsverlof mis ik het knobbeltje in haar borst. Twee jaar later voel ik het wel, maar dan is de kanker al uitgezaaid. Tussen de bollenvelden staart ze me aan met doordringende ogen. Aan haar hand jengelt mijn derde dode: een vijfjarig jongetje, zijn armpje in het gips. Om vier uur ’s nachts word ik voor hem uit mijn bed gebeld. Ik zie wel zijn gebroken arm, maar niet de vele blauwe plekken. Een maand later slaat zijn vader hem wél dood.

Sinds dit ritje in de bus ben ik ‘mijn doden’ niet meer kwijtgeraakt. Tijdens een potje squash, een biertje in de kroeg: op de vreemdste momenten duiken ze op om me verwijtend aan te staren.

Maar sinds ik op vakantie ben heb ik ze nog niet gezien. Ik snorkel, luier en voel me vreemd bevrijd. Intens gelukkig drink ik met Luc mijn vijfde Cuba Libre en staar over zee. Maar plotseling verstijf ik. Daar staan ze in de branding! De vrouw draagt nu een gele bikini. Haar rechterborst is verdwenen. Links van haar leunt de oude man op zijn stok. Aan haar rechterhand klemt zich het jongetje vast, zijn gipsen arm angstvallig boven het water.

Deze aanblik, de smekende ogen, het wordt me te veel. „Rot op, smerige lijken, laat me met rust!” schreeuw ik, trillend van onmacht. Maar de vrouw loopt rustig op me af. Als ze voor me staat zegt ze zacht: „Maar Anne, snap je dan niet dat we hier voor jóu zijn? We zijn hier juist om onszelf te voorkómen. Nú en om 4 uur ‘s nachts: wij zullen je wijzen op die blauwe plekken of die knobbel. Als je dat wilt tenminste.”

Ik zwijg. Ik aarzel minutenlang. „Oké, dan”, besluit ik met een zucht, „wees welkom.” Ik bestel twee Cuba Libre en een cola extra. En Luc schuift drie stoelen bij.

Mede op basis van haar columns schreef Anne Hermans de ‘doktersroman’ De co-assistent, Uitgeverij Podium, 16,50 euro.