Meel maken doe je zelf

De lekkerste nsima maak je van wit maïsmeel.

Deel vier uit een nrc.next-project over het dorp Dickisoni in Malawi.

Wat je allemaal moet doen om maïsmeel te krijgen.

Na de oogst bereid je je voor op de volgende oogst door de verdroogde, afgesneden maïsstokken met een laagje aarde te bedekken. Met een kapmes maai je het gras dat op de akker is gegroeid. Met een hak ploeg je het land om en maak je voren.

Je zorgt dat je voldoende maïszaad hebt. Wil je de lokale maïssoort verbouwen, kun je de maïskorrels van je eigen akker gebruiken. Veel boeren geven de voorkeur aan een hybride, buitenlandse soort, omdat die meer maïs levert. Zaad daarvoor kun je kopen bij het plaatselijke depot van het semi-staatsbedrijf Admarc.

Voor een goede oogst heb je kunstmest nodig. Die kun je kopen bij particuliere bedrijven of bij Admarc. Sommige jaren vindt de regering een westers donorland bereid om de kunstmest te subsidiëren. Dan kun je de kunstmest bij Admarc kopen voor minder dan de helft van de marktprijs.

De verkoop van de gesubsidieerde kunstmest is aan allerlei regels gebonden. Die regels moeten voorkomen dat rijke boeren en handelaren grote hoeveelheden gesubsidieerde kunstmest kopen, zodat er niet genoeg overblijft voor de arme boeren. Met die regels wordt op grote schaal gesjoemeld. Voor veel arme boeren is ook de gesubsidieerde kunstmest nog onbetaalbaar.

Net voor de eerste regen, of onmiddellijk daarna, stop je het maïszaad in de grond, op de rug tussen twee voren. Zo gauw het zaad ontkiemt, voeg je voor de eerste keer kunstmest toe. Als de maïsplant opkomt, wied je voor de eerste keer de akker, om te voorkomen dat gras en onkruid van de kunstmest profiteren. Gras en onkruid leg je boven op de rug in de brandende zon, om te vermijden dat ze weer wortel schieten.

Als de maïsplanten flink zijn opgeschoten, wied je voor de tweede keer de akker. Kort na het wieden voeg je voor de tweede keer kunstmest toe.

Als de maïs na het rijpen voldoende gedroogd is, kap je de maïsstokken net boven de grond. Die maïsstokken zet je in bundels op de akker, zodat ze tegen elkaar aanhangen. De maïs kan zo nog verder drogen.

Je verzamelt verschillende soorten gras en twijgen. Daarvan vlecht je een ronde opslagplaats voor maïs. Die opslagplaats zet je vlakbij je huis op een verhoging van stenen en takken, om te voorkomen dat de maïs door ongedierte opgevreten wordt.

Je haalt de maïskolven van de maïsstokken die nog in bundels op de akker staan. Je smijt de maïskolven op een hoop. Je huurt een ossenkar die de maïskolven van de akker naar je huis brengt. Daar gooi je de maïskolven in de manshoge opslagplaats voor maïs. Je voegt een conserveringsmiddel toe dat het ongedierte weghoudt. Flesjes met dat middel heb je in de nabijgelegen handelspost gekocht.

Met enige regelmaat diep je een lading maïskolven op uit de opslagplaats. Voor je huis, boven een mat, rol je de maïskolven tussen de palmen van je handen. De maïskorrels vallen op de mat. Je gooit enkele handenvol maïskorrels in een houten vijzel. Als stamper gebruik je een ronde houten paal. Staand laat je de stamper ritmisch neerkomen in de vijzel. Zo scheur je de vliesjes rond de maïskorrels.

De gestampte maïskorrels schep je met de hand in een zelf gevlochten platte mand met een opstaande rand. Je zit op een mat. Je schudt de mand en gooit de inhoud twintig tot dertig centimeter omhoog. Twee keer vang je kaf en korrels op. De derde keer beweeg je de mand zijwaarts zo gauw je het gekletter van de korrels hoort. De vliesjes zijn veel lichter dan de korrels. Ze dwarrelen neer op de mat. Je moet heel veel keren schudden en gooien, voordat je het kaf van de korrels gescheiden hebt.

Het kaf bewaar je in een juten zak voor slechte tijden. De korrels laat je in huis enkele dagen weken in een pot van aardewerk. De geweekte korrels laat je buiten drogen op een mat.

Je doet de gedroogde korrels in een juten zak en gaat ermee naar een van de maalmachines in de omgeving, zeker een half uur lopen heen en een half uur lopen terug. Tegen betaling worden je korrels vermalen tot ufa. Van dat witte meel maak je volgens de dorpelingen de lekkerste nsima.