Grootvaders socialisme

In het begin van de jaren ’50 van de vorige eeuw was ik verbonden aan het Nederlands Informatiebureau in New York. Dat hield zich bezig met voorlichting over Nederland aan Amerikanen. Maar er kwamen ook veel Nederlanders langs die voor de eerste maal Amerika bezochten (dat was toen nog vrij uitzonderlijk). Onder hen waren er ook die van plan waren er te blijven.

Onder de laatsten was een jongeman die ik van naam kende: Hans Koningsberger. Ik had zijn naam wel gezien onder artikelen in De Groene Amsterdammer, toen nog een weekblad dat weliswaar niet communistisch was, maar wel, laten we zeggen, meer begrip toonde voor de Sovjet-Unie dan voor de Verenigde Staten.

Zo herinner ik me een artikel van hoofdredacteur Sem Davids, waarin uitvoerig uitgelegd werd dat de zuiveringen die op dat ogenblik in communistisch Oost-Europa aan de gang waren en waarvan vooral joodse communisten het – meestal dodelijke – slachtoffer waren, niet een uiting waren van antisemitisme, maar van antikosmopolitisme. Een schrale troost voor die slachtoffers.

Maar van Hans Koningsberger had ik ook langs andere weg al gehoord. Op het Amsterdamse Barlaeus gymnasium had ik namelijk in de klas gezeten met Wim Koningsberger, en die bleek een broer van hem te zijn. Van Wim wist ik dat hij, samen met een broertje – dat moet dus Hans zijn geweest – bij zijn alleenstaande, waarschijnlijk gescheiden moeder woonde, in een zijstraat van de Van Baerlestraat, vlak bij het Roelof Hartplein (de Bronckhorststraat?). Ik fietste daar vaak langs met hem, op weg naar huis.

Maar er is nog iets anders wat ik me van Wim herinnerde: hij memoreerde vaak dat zijn moeder een dochter was van de dichter Abraham van Collem (1858-1933). Het was waarschijnlijk dat ik toen voor het eerst van die dichter heb gehoord, want in de lessen Nederlands op school werd hij niet behandeld. Omdat hij communist was? Dat is niet waarschijnlijk, want zijn geestverwante Henriëtte Roland Holst kwam wél aan de beurt. Misschien werd hij niet belangrijk genoeg gevonden.

Niettemin krijg Van Collem in mijn Winkler Prins Encyclopedie (van 1934) veel aandacht: ruim een kolom. In een lyrisch artikel van een zekere D.Th. Jaarsma wordt hij een „zuiver en krachtig dichter” genoemd, „wiens werk een zeldzame reinheid en innigheid kenmerkt. In dionysische scheppingsvreugde, met profetischen klem en welhaast oudtestamentische vurigheid belijdt hij, communist geworden, zijn idealen van broederschap en menschenmin – een apostel van de sociale liefde”. In de WP van 1991 krijgt hij maar twaalf regels. En Adriaan Morriën noemt hem in een bloemlezing uit 1955 al een „vergeten dichter”.

Aan dit alles moest ik denken toen ik in de krant van 17 april zag dat Hans Koningsberger was overleden. In dit bericht wordt zijn verwantschap met Van Collem niet vermeld, maar het is duidelijk dat hij, via zijn moeder, diens invloed heeft ondergaan. Corinne Vloet sprak in een recensie van een van zijn romans in deze krant, van „een eenzame buitenstaander die door de omstandigheden tot revolutionaire actie wordt gedwongen en onmogelijke idealen koestert die ook wel eens waanvoorstellingen zouden kunnen zijn”. Dat was Hans.

De ironie van het lot wil dat ik deze romantische revolutionair, toen hij in 1951 of 1952 op bezoek kwam, aan een tijdelijke baan heb kunnen helpen. Mijn bureau was toen druk bezig aan de publicistische voorbereiding van het officiële bezoek dat koningin Juliana en prins Bernhard aan de VS zouden komen brengen. Ik kon extra hulp goed gebruiken, en daarvoor kon ik Hans charteren. Ik heb daar geen spijt van gehad.

Sindsdien bleven we elkaar van tijd tot tijd zien, ook nadat ik naar Nederland was teruggekeerd. Met tussenpozen van vele jaren bezocht hij mij, hoewel onze politieke opvattingen wijd uiteenliepen. Hij was de romanticus, die telkens weer vuur vatte voor revolutionaire zaken en bijna zichtbaar leed onder de politiek van zijn nieuwe vaderland (niet pas onder Bush!); ik bleef de scepticus.

Hij was intussen, onder de naam Hans Koning, een bekende schrijver geworden – niet zozeer in Nederland, waar (zoals hij mij vorig jaar nog schreef), „niemand of bijna niemand weet wie ik ben”, als wel in Amerika, waar boeken van hem verfilmd werden. De International Herald Tribune herdacht hem in een artikel dat ook zijn verzetsactiviteiten tegen de Vietnamoorlog, samen met Noam Chomsky, vermeldt. Hij week daarvoor zelfs tijdelijk naar Engeland uit. Zijn ouderdom belette hem waarschijnlijk zoiets weer onder Bush jr. te doen.

Zijn ouderdom – ik kan mij Hans moeilijk als oud man voorstellen, ook niet toen ik hem drie jaar geleden voor ’t laatst zag. Ook voor Geert Mak, die hem in De Groene van 20 april herdacht, was hij altijd de jongen van 25 gebleven. Ja, iets onvolwassens was hij blijven houden, maar met een vlaag van melancholie. Omdat de mens toch telkens weer kortzichtiger en baatzuchtiger blijkt te zijn dan hij zich in zijn dromen voorstelde?

Geert Mak vertelt ook dat Hans „tot het laatst een ijzeren socialist” was gebleven. „Ik heb het socialisme met de moedermelk ingedronken”, had hij tegen Geert Mak gezegd. Een stilzwijgende hommage aan zijn moeder en grootvader. Maar wat zijn socialisme inhield, blijft duister. Toch wel iets anders dan dat van Wim Kok en Wouter Bos, vermoedelijk. Meer het socialisme van de jaren ’20.

Het is het romantische, bijna religieuze socialisme waaraan grootvader Van Collem uitdrukking gaf in zijn gedicht ‘Kom Socialisme’ uit 1919, waarvan de laatste strofe luidt: „Kom, stralend Socialisme, kom weldra, /Bind mij met uwe machtige accoorden, /Raak mij met uw gouden adem aan, mijn woorden, /Opdat ik zingende tot u inga.”

Maar hoe is het Wim, Hans’ broer en mijn klasgenoot, vergaan? De laatste keer dat ik hem zag was in New York, in gezelschap van Hans. Hij was toen vertegenwoordiger in Genève van een Amerikaans (farmaceutisch?) bedrijf, doing very well kennelijk. Deze appel was blijkbaar verder van de stam geraakt. Beide broers zijn dan ook met elkaar gebrouilleerd geraakt, heb ik later van Hans gehoord.