De mens heeft zijn oogwit niet voor niets

Mensen hebben hun oogwit niet voor niks. Het zit er omdat mensen zoveel belang hechten aan onderlinge samenwerking, concluderen psychologen en primatologen.

Er is iets ongewoons met de ogen van de mens. Als enige primaat heeft de mens oogwit en een doorzichtig oogslijmvlies, waardoor vrij precies en voortdurend te zien is waarop de menseniris en de pupil gericht zijn. Ook van veraf. Ook is het menselijk oogwit veel groter dan bij andere mensapen en bij aapjes: een mens laat relatief veel van zijn ogen zien. Bij andere apen zijn de ogen klein, door veel huid ingesloten en meestal egaal donker.

Waarom? De klassieke verklaring onder biologen en antropologen – als die al aandacht aan dit fenomeen besteden – is dat het oogwit waarschijnlijk een blijk van onderling vertrouwen is. Bij mensen is het belangrijk om samen te werken en dan is het reuzehandig om te zien waarheen iemand kijkt. Andere primaten zullen eerder bang zijn dat de ander het opmerkt als je wegkijkt, en dan het eten inpikt.

Maar klopt dit? Letten mensen echt meer op oogrichting dan mensapen met hun donkere ogen? Nooit is het onderzocht.

Totdat psychologen en primatologen van het Max Planck Institut für Evolutionäre Anthropologie in Leipzig, onder leiding van de befaamde Michael Tomasello de proef op de som namen. En inderdaad, rapporteren ze in het maartnummer van het Journal of Human Evolution: oogrichting is voor mensen véél belangrijker dan voor mensapen. En daarmee is oogwit inderdaad een belangrijk symptoom van het unieke samenwerkingssysteem van mensen.

De onderzoekers vergeleken mensapen met jonge mensenkinderen in de mate waarop ze vooral op hoofdrichting letten, of speciaal op oogrichting. Kinderen, omdat Tomasello vooral wilde weten of het hier gaat om spontaan, aangeboren gedrag. Volwassenen gaan al gauw dóórdenken.

Het verschil was groot. De negentien mensapen (elf chimps, vier gorilla’s en vier orang oetans) letten in de listige proefneming 2,5 keer vaker op de richting van het hoofd van de experimentator dan op de richting van zijn ogen.

Maar de mensenkinderen (twintig van een jaar oud en twintig van anderhalf) letten in dezelfde experimenten meer dan vijf keer beter op de oogrichting dan op de hoofdrichting. De hoofdrichting interesseerde hen nauwelijks.

Het experiment bestond eruit dat de experimentator op een stoel zat en de aandacht trok van de mensaap of het kind (dat op de schoot van een ouder zat). Vervolgens werd gekeken hoe de proefaap of het proefkind reageerde op verschillende situaties: als de onderzoeker zijn hoofd hief, als hij alleen met zijn ogen omhoog keek (hoofd recht), als hij beide deed, als hij de proefpersoon recht aankeek en ook als hij met zijn rug naar de aap of het kind ging zitten en dan omhoogkeek of juist rechtuit bleef kijken. Die laatste positie (rug toedraaien en wegkijken) leidde trouwens bij veel kinderen tot grote onrust en werd na een paar keer niet meer toegepast. Zo’n blijk van plotselinge desinteresse kunnen mensenkinderen kennelijk maar moeilijk verdragen.

Wanneer het oogwit in de menselijke evolutie ontstond, is overigens totaal onbekend. In reconstructies wordt de vroege voorouder Australopithecus (4 tot 2 miljoen jaar geleden) vaak uitgerust met oogwit. Maar evengoed kan het een veel recenter fenomeen zijn.

Er zijn overigens nog wel andere verklaringen voor het oogwit denkbaar. Helder oogwit is vaak een bewijs van gezondheid, en misschien speelt of speelde dat een rol in selectie van gezonde seksuele partners. Het is overigens nooit onderzocht of zo’n effect echt bestaat.