Wortelen en pindadoppen

Schrijfster Nicolien Mizee geeft een cursus ‘Verhalen schrijven’ aan de Volksuniversiteit. Ze laat zich inspireren door het werk van haar leerlingen. In deze aflevering gaat zij in op de vraag of een verhaal verzonnen of waar is.

Waarom weten we direct welk stuk autobiografisch is en welk niet?

Waarom weten we dat Jantiens eerste schooldag zó, en niet anders verlopen is? En waarom dat Masja’s verhaal over een slippertje met een getrouwde buurman verzonnen is?

„Die bivakmutsen die van pake’s onderbroeken gemaakt zijn!”, roept Bruno. „Zoiets verzín je niet! En dat naar voren hellende Jezusbeeld bij de wenteltrap!”

Alleen al die wenteltrap. Waarom geen gewone trap? Omdat het nu eenmaal een wenteltrap wás in die school.

En waarom ‘pake’ in plaats van ‘opa’? Omdat hij nu eenmaal pake genoemd werd.

„Nou snap ik het!”, zeg ik plotseling.

De klas kijkt op.

„Een goede vriend van mij staat al dertig jaar lang voor de klas. Op een zondagavond, kortgeleden, maakt hij, zoals hij al dertig jaar doet, zijn broodtrommeltje voor de volgende dag klaar: vier boterhammen, een servetje eroverheen en twee wortelen ernaast. De volgende ochtend wordt hij wakker en hij denkt: ik ga niet naar school. Ik ga nooit meer. Hij belt de directeur om het te vertellen. Daarna belt hij mij. Sindsdien zit hij thuis.”

De klas wacht af.

„Ik heb dit verhaal al tien keer verteld in verschillende bewoordingen. Maar die twee wortelen zijn elke keer hetzelfde. En juist die wortelen zijn verzonnen.

Mijn vriend zegt: „Waarom moet jij altijd alles bij elkaar verzinnen? Waarom kun je niet vertellen hoe het echt ging?”

Maar die wortelen doe ik er juist bij om te tonen dat het echt zo gegaan is.

En hoe weten we al even zeker dat Masja geen slippertje met haar getrouwde buurman gemaakt heeft?

Om te beginnen is die buurman een ‘geslaagde reclamemaker’. De geslaagde reclamemaker verschijnt met grote regelmaat in de verhalen van mijn cursisten, hoewel navraag me geleerd heeft dat niemand er een kent. Toch blijft hij opduiken, als het monster van Loch Ness. Hij is een modern archetype geworden, zoals vroeger de trouwe gedienstige en de dikke burgemeester.

„Maak er een mislukte reclamemaker van”, zeg ik. „Of een geraniumkweker.”

Masja lijkt niet overtuigd. „Ik mag toch wel wat verzinnen? Ik hoef toch niet altijd op te schrijven hoe het echt gegaan is?”

„Nee, maar je moet de verzonnen dingen zodanig opschrijven dat wij dénken dat ze echt gebeurd zijn”, zeg ik.

„Volgens Orhan Pamuk is het de kunst van het schrijven om een verhaal van jezelf te vertellen of het een ander overkomen is, en het verhaal van een ander of het jezelf is overkomen. Denk je nou echt dat er ‘een volkomen stilte over je neerdaalt’ als je door een knappe vent gekust wordt? Ik denk eerder dat je denkt: hé, er ligt een pindadop onder de kast. En als je het niet denkt, schrijf je het toch op. Beschrijf de dingen, niet de gevoelens. Vervang de klamme handen, de bonkende harten en de volkomen stiltes eens door wortelen en pindadoppen. Kind, je zult zien: we geloven je onmiddellijk!”

Nicolien Mizee