Schrijver Brouwers krijgt grote oeuvreprijs

De Prijs der Nederlandse letteren werd gisteren toegekend aan Jeroen Brouwers. De jury prijst de schrijver als een „buitengewoon stilist”.

Uitgever Geert van Oorschot zei in 1971 tegen de nog jonge Jeroen Brouwers dat hij los moest van ‘het tuurtouw’. Dat is de lijn waarmee schapen aan een paaltje worden vastgezet. Van Oorschot bedoelde dat Brouwers zijn baan (bij de Brusselse uitgeverij Manteau) moest opzeggen om zich volledig aan het schrijverschap te wijden. „Ik ben er even later met tuurtouw, paaltje en al vandoor gegaan, alles tegelijk in één klap achterlatend.”

Zesendertig jaar later is het inmiddels tot kolossale omvang gegroeide oeuvre van het bevrijde schaap Brouwers onderscheiden met de driejaarlijkse Prijs der Nederlandse Letteren. De jury van de belangrijkste prijs van het Nederlandse taalgebied prijst hem als een „buitengewoon stilist” die „in de naoorlogse Nederlandstalige literatuur bakens heeft uitgezet en verzet”. Hij heeft „het egodocument verheven tot een volwaardig literair genre”. Brouwers is na Gerard Reve (2001) en Hella Haasse (2004) de derde Nederlandse laureaat op rij van de Belgisch-Nederlandse prijs. Hij is de eerste Nederlandse winnaar die niet eerst de P.C. Hooftprijs kreeg.

Brouwers, die op Koninginnedag 67 jaar wordt, schreef sinds zijn debuut Joris Ockeloen en het wachten (1967) meer dan zestig boeken: romans als Bezonken rood (1981) en Geheime kamers (2000, Gouden Uil, AKO-prijs en Multatuliprijs), autobiografieën (Het vliegenboek, 1991), essays (De laatste deur, over schrijvers en zelfmoord, 1983), brievenboeken (Kroniek van een karakter, 1987) en een eindeloze reeks polemieken, onder meer met Rudy Kousbroek over de Japanse bezetting van Nederlands Indië.

Zijn schrijfwoede is ook terug te vinden in zijn breed uitwaaierende stijl, die vaak als ‘barok’ is omschreven, een aanduiding waar Brouwers zelf van gruwt. Louis Paul Boon beschouwt hij als zijn leermeester, maar in zijn werk zijn ook de sporen van Reve, Mulisch en Hermans terug te vinden.

Juist door de polemische kracht en de verbale overdaad van veel van zijn werk wordt nog wel eens over het hoofd gezien dat Brouwers een schrijver is met oog voor detail en een diep verlangen om het kleine te beschermen. Het zijn de karakteristieken die bijvoorbeeld zijn essays over literatuur en zelfmoord zo sterk maken.

De nabijheid van het einde zal ongetwijfeld te maken hebben met Brouwers productiviteit. „Ik ben geboren in 1940 en vandaag of morgen – al kan dit best nog jaren duren – ga ik dood”, schreef hij in 1982. „In de tussentijd heb ik boeken geschreven. Dit is alles [...] Niet ik wil mijzelf ‘overleven’, ik zou willen dat mijn boeken mij overleefden: dit is de enige reden waarom ik schrijf.” Het is een diep-romantische kunstopvatting van een schrijver die sinds hij zich van het ‘tuurtouw’ bevrijdde, grote invloed heeft gehad op uiteenlopende schrijvers als Ronald Giphart en Stefan Brijs. Een man die bovendien verder schrijft zolang hij ademt: in september verschijnt de roman Datumloze dagen.

Zie ook www.jeroenbrouwers.be