¡Que viva Mexico!

De rubriek Bijzien zet elke week een nieuwe film in bredere context. Deze week ‘Pan’s Labyrinth’ van Mexicaan Guillermo del Toro. Want Mexico is hot in Hollywood.

Voor wie het nog niet in de gaten had, moet het na Pan’s Labyrinth toch wel duidelijk zijn. De Mexicaanse film is booming. Later deze maand beleeft de film Sangre van Amat Escalante zijn Nederlandse première en vorige week werd bekend dat de Mexicaans-Nederlandse co-productie Stellet licht van Escalantes leermeester Carlos Reygadas meedoet in de competitie om de Gouden Palmen in Cannes.

En dit jaar bij de Oscars was het helemaal een Mexicaans feestje. Pan’s Labyrinth van Guillermo Del Toro (1964) was genomineerd voor zes Academy Awards en won er drie. Babel van land- en generatiegenoot Alejandro González Iñárritu (1963) verzilverde er één van de zeven. Alleen Alfonso Cuarón (1961) moest het voor zijn sciencefictionfilm Children of Men bij drie nominaties houden. Maar die heeft na zijn Harry Potter-verfilming The Prisoner of Azkaban (2004) sowieso al niet te klagen over aandacht uit het beloofde filmland.

Toch is van Cuaron de uitspraak: „In Mexico maakt iedereen films om de goede redenen. En rijk worden hoort daar niet bij. In Amerika is er zoveel geld en is de film een industrie. In Mexico niet. In Mexico maken we films omdat we ervan houden.”

Nuevo Cine Mexicano wordt de nieuwe Mexicaanse renaissance in eigen land genoemd. Of buena onda, de ‘goede golf’. Mexico heeft een rijke filmtraditie. Het was in 1890 een van de eerste landen buiten Europa waar de gebroeders Lumière met hun reizende filmcircus voet aan de grond kregen.

De Rus Sergei Eisenstein trok er in de jaren dertig naartoe en bejubelde het in ¡Que viva Mexico! (ver na zijn dood voltooid in 1979) en het was midden vorige eeuw lange tijd pleisterplaats voor de voor Franco gevluchte Spanjaard Luis Buñuel (1900-1983). Het mag dan ook beslist geen toeval heten dat Del Toro in zijn gruwelijke sprookje Pan’s Labyrinth zijn blik op de Spaanse Burgeroorlog werpt.

Het begon allemaal in 2000 toen Iñárritu met Amores perros doorbrak in het internationale festivalcircuit. De film is een vernuftige mix van Quentin Tarantino’s nouvelle violence, een rauw Mexicaans straatverhaal en een door elkaar gehusseld scenario om de toeschouwer steeds weer met nieuwe informatie te verrassen.

Samen met scenarist Guillermo Arriaga zou Iñárritu die fragmentarische vertelstijl perfectioneren. In 21 Grams (2003) en vorig jaar Babel wist het inmiddels gebrouilleerde duo door steeds drie verhalen door elkaar te vertellen een nieuwe vorm van epiek te creëren.

De Nuevo Cine Mexicano is geen filmbeweging op stilistische of inhoudelijke gronden. Del Toro is de genrespecialist en Cuarón werkte afwisselend in de VS (aan de suikerzoete Dickens-verfilming Great Expectations, 1998) en in de Mexicaanse tv-industrie (die in tegenstelling tot de film wél een industrie is) voordat hij in 2001 opviel met zijn lichtvoetige maar niet luchthartige coming-of-age-verhaal Y tu mamá también. Carlos Reygadas (1971) is de extremist, die compromisloos zijn shots eindeloos boven de bergen laat cirkelen in zijn debuut Japón (2002), een oude, dikke man seks laat hebben met een beeldschoon meisje in Batalla en el cielo (2005). En voor het liefdesdrama Stellet licht liet hij een Mexicaanse Mennonieten-sekte oud-Nederlands spreken.