O eer van ’t Moorenlant!

De Ghanees Jacobus Capitein kwam als slaaf naar Nederland, studeerde aan de Leidse universiteit en promoveerde er op een pleidooi voor de slavernij. Waarschijnlijk was hij de eerste zwarte die een dissertatie schreef.

Ghana vierde afgelopen maand vijftig jaar onafhankelijkheid. Eeuwenlang bestuurden de Engelsen en de Nederlanders het land – en het slavenfort Elmina (St. George). De zwarte prinsjes uit Arthur Japins roman De zwarte met het witte hart kwamen uit Ghana, net als de drieduizend soldaten voor het Nederlands-Indische leger, die Ineke van Kessel in haar boek Zwarte Hollanders onlangs weer tot leven wekte.

Een ander, triest, voorbeeld van Nederlands-Ghanese raakvlakken is het leven van de Ghanese jongen Jacobus Capitein, over wie in 2000 een biografie verscheen (Henri van der Zee, ’s Heeren Slaaf.) Capitein is achtereenvolgens slaaf, Leidse student en zendeling onder zijn eigen volk. Waarschijnlijk was hij de eerste zwarte man die een universitaire dissertatie schreef. Wezenlijker in zijn leven is de herhaalde zelfverloochening.

Dat begint in Leiden op 10 maart 1742. Capitein betoogt in zijn dissertatie dat de Bijbel slavernij niet verbiedt. Het betoog van onze Ghanese landgenoot komt exact overeen met de opvattingen van zijn omgeving in die periode: handelaren van de West Indische Compagnie.

De kleine Jacobus (oorspronkelijke naam Asar) wordt in zijn geboorteland Ghana door kapitein Arnold Steenhout verkocht aan de handelaar Jacobus van Goch. Van Goch die hem de naam Capitein geeft, neemt hem mee naar Den Haag, waar de zwarte jongen de Latijnse school volgt. Vanaf 1737 studeert Capitein theologie aan de Leidse universiteit. Deze studie sluit hij in maart 1742 af met zijn Dissertatio politico-theologica de servitute, libertati christiani non contraria (Staatkundig-godgeleerd onderzoekschrift over de slaverny, als niet strydig tegen de christelyke vryheid).

Capitein wordt niet in het Leidse promotieregister vermeld, wat er op lijkt te duiden dat zijn dissertatie vooral als universitaire voordracht was bedoeld.

Capiteins redenering valt in goede aarde bij de voorstanders van slavernij. Zijn betoog keurt slavernij niet af en dringt zelfs niet aan op vrijlating van slaven die zich bekeren tot het christendom. Capitein argumenteert klassiek: hij geeft de Bijbelse argumenten tégen slaverij (2 Korintiërs 3: 17, Galaten 5: 1, I Korintiërs 7: 23, Johannes 8: 32) en legt die vervolgens geestelijk uit. Zelfs Hugo de Groot en de Leidse jurist Voetius worden door Capitein van stal gehaald. Hij is wel zo slim niet Grotius’ De iure belli ac pacis (1625) aan te halen. „Geen menschen zijn van nature slaaven.” Ook Bredero had in zijn Moortje (1615) de slavernij sterk afgekeurd: „Godloose schelmery! Dat men de menschen vent / Tot paartsche slaverny.” De opvattingen over slavernij liepen in Nederland nogal uiteen: voor- en tegenstanders buitelen in deze periode over elkaar heen.

De populariteit van Capitein blijkt uit diverse publicaties. Allereerst verschijnt van de dissertatie een Nederlandse editie, die binnen een jaar vier drukken beleeft. Er is een laudatio (Gelukwenschingen) met meer dan tien lofdichten van H. de Wilhem, Gerardus Kuypers en anderen (‘O eer van ’t Moorenlant!’). Verder verschijnen twee preken van Capitein (mei te Muiderberg, juni te Ouderkerk) in druk. Het is nog niet genoeg. Ook in 1742 verschijnt Het verheugende Zion, over de gelukkige inkomst van den Afrikaanschen moorman.

De beker is nog niet tot op de bodem geledigd. In Capiteins proefschrift heeft zijn vriend Brandijn Rijsen het al aangekondigd: „Zie deez Moor; zijn vel is zwart maar wit zijn ziel (...); hij gaat geloof, hoop en liefde aan Mooren leeren, opdat zij, witgemaakt, met hem het Lam steeds eeren.” In juli 1742 zeilt Capitein terug naar Ghana, waar hij in oktober aankomt.

Capitein preekt en zet een schooltje op, maar alles lijkt gedoemd. Zijn vertaling van het Onze Vader en de Tien geboden in ‘de negersche sprake’ Fante verschijnt in 1744, maar wordt voorafgegaan door een waarschuwend voorwoord van zijn oude vriend De Wilhem. Capiteins wens om te trouwen met een Afrikaanse vriendin wordt niet vervuld: de West-Indische Compagnie stuurt de Haagse Antonia Ginderdros naar Ghana. In oktober 1745 trouwt Capitein met haar. Een nieuwe opzet van de school mislukt en Capitein sterft in februari 1747 – ongelukkig en met schulden bij de dokter en de wijnhandelaar. Zijn graf in Ghana is onvindbaar.