Kindermishandeling

Het is vrijwel onmogelijk om de mate van kindermishandeling nauwkeurig te meten. Dat blijkt uit de sterk uiteenlopende resultaten van twee wetenschappelijke onderzoeken die in opdracht van de ministeries van Justitie en van Volksgezondheid zijn gedaan. De universiteit van Leiden vond dat in een periode van drie maanden 3 procent van de kinderen werd mishandeld. De Vrije Universiteit van Amsterdam kwam met anderhalf keer zoveel slachtoffers. De resultaten van beide onderzoeken liggen weer veel hoger dan Amerikaanse onderzoeksresultaten. De in onderzoeken gegeven percentages en aantallen zijn dus weinig hard. Het hangt er maar van af wat onder kindermishandeling wordt verstaan en hoe het is onderzocht.

Wie, zoals de Vrije Universiteit van Amsterdam, de jongeren zelf ondervraagt over mishandeling, krijgt altijd hogere en meer wisselende uitkomsten dan wie zich beperkt tot door hulpverleners gemelde gevallen, zoals de universiteit van Leiden heeft gedaan. Daarbij komt dat de definitie van kindermishandeling op grond van de wet op de Jeugdzorg ruimer is geworden. Kindermishandeling beperkt zich niet tot het toebrengen van fysiek letsel maar omvat ook psychisch letsel en verwaarlozing. Psychische schade kan voor kinderen ten minste zo ernstig zijn als fysiek letsel maar het is moeilijker vast te stellen. Mode speelt daarbij een rol. Vroeger werd veel onderzoek gedaan naar seksueel misbruik. Maar volgens het Leidse onderzoek van nu komt dat nog het minste voor van het aantal geconstateerde gevallen van mishandeling.

Opmerkelijk is dat grote risicofactoren voor kindermishandeling, eenoudergezinnen en armoede, zich in de Verenigde Staten meer voordoen dan in Nederland, terwijl daar meer gevallen worden gemeld. Dat wordt mogelijk verklaard doordat een Nederlandse hulpverlener eerder alarm slaat dan een Amerikaanse.

De discussie over precieze aantallen en percentages kan beter aan onderzoekers worden overgelaten. Wel is duidelijk dat kindermishandeling door de bureaucratisering en versplintering van de jeugdzorg te weinig aandacht krijgt. Te vaak zijn verschillende hulpverleners met hetzelfde gezin bezig, terwijl ze van elkaar niet weten wat ze doen.

De overheid kan zich het beste concentreren op de allerzwaarste gevallen van kindermishandeling, volgens het Leidse onderzoek ongeveer 50.000. Over lichtere gevallen van verwaarlozing of mogelijke psychische traumatisering door een slechte opvoeding is nog discussie mogelijk. De instanties kunnen daar beter hun energie niet aan verspillen en moeten het risico van te vroeg of overbodig ingrijpen vermijden. In het verleden zijn ouders ten onrechte beschuldigd van seksueel misbruik. Maar bij een kind dat een rib breekt omdat het van de trap is gegooid, moet de overheid ingrijpen door bijvoorbeeld plaatsing in een pleeggezin. Dat gebeurt niet altijd, omdat vaak te lang wordt overlegd, omdat de deskundigheid in het vaststellen van letsel door mishandeling ontbreekt en omdat er te weinig opvangplaatsen zijn. Als minister Rouvoet van Jeugd en Gezin (CU) erin slaagt bij de zwaarste gevallen van kindermishandeling in te grijpen, is er al heel wat gewonnen. Onderzoek van deze problemen is kinderspel vergeleken bij de bestrijding daarvan.