Iedereen politicus

Waarschijnlijk is nog nooit in de wereldgeschiedenis door zoveel mensen zo oeverloos gescholden, geïnsinueerd en beledigd als in deze tijd van het wereldwijde internet. Tegelijkertijd is het, sinds de gijzeling van de Amerikaanse ambassade in Teheran, 1979, hoe langer hoe duidelijker geworden dat we in een ouderwetse godsdienstoorlog terecht zijn gekomen. In 1988 verklaarde ayatollah Khomeini dat de schrijver Salman Rushdie wegens zijn boek De Duivelsverzen gedood moest worden. De aanval op de twee torens in New York, 11 september 2001, was de definitieve bevestiging.

Fundamentalistische moslims, de islamisten, wel te onderscheiden van de gewone of gematigde moslims, willen een nieuw kalifaat stichten waartoe heel Europa zal horen en misschien ook wel het rijk van de Grote Satan, Amerika. Overal zou voortaan de shari’a, het moslimrecht gelden en geen ander. Mij heeft dat altijd een rijkelijk optimistische visie geleken. Ik zie de varkensteelt, de distilleerderijen en het wuft vermaak hier nog niet ten onder gaan, en evenmin alle vrouwen met hoofddoekjes lopen. Maar wel is het duidelijk dat de vijand onder ons is, en dat hij een geloofsstrijd voert die tegelijkertijd een machtsstrijd is. Simultaan twee oorlogen, dat wekt bij ons verwarring.

Aan de ene kant zijn we, ons beroepend op de Verlichting, in deze fase van onze cultuur meer dan ooit verknocht aan ons recht op de vrijheid van meningsuiting. Daarbij verwijzen we naar Voltaire die verklaarde het niet met zijn tegenstander eens te zijn maar tot zijn dood toe het recht te verdedigen om dat te zeggen. Zo hebben we nu ook het recht om iemand te beledigen, desnoods een ‘blinde tyfushond’ te noemen of iets ergers wat door de mode van het beledigen wordt voorgeschreven. Het is wel eens anders geweest, maar de tijden van de fatsoensrakkers en de zelfcensuur zijn voorbij en de Nederlandse beschaving heeft het overleefd.

Onze vrijheid van meningsuiting maakt het conflict met de fundamentalistische vijand onontkoombaar. Dat wordt aangetoond door de Deense ‘cartoonkwestie’ en het conflict om het Franse blad Charlie Hebdo dat de tekeningen heeft afgedrukt. De redactie is vrijgesproken. Terecht, vind ik. Als de satirici Christus of Maria, Paulus en Petrus op dezelfde manier hadden behandeld, zou de uitspraak niet anders mogen zijn. Maar deze gang van zaken heeft nog een gevolg. Wie iemand beledigt, in zijn diepste overtuiging raakt, ‘kwetst’ zoals we het noemen, maakt daarmee het gesprek onmogelijk. Anders gezegd: beledigen en diplomatie sluiten elkaar uit.

Diplomatie hoort tot de politiek, dient in het uiterste geval om tot overeenstemming te komen opdat de politiek niet ‘met andere middelen wordt voortgezet’, dat wil zeggen dat het conflict zich tot een oorlog ontwikkelt. Als de onderhandelaars bij hun entree in de conferentiezaal meteen van hun recht op vrijheid van meningsuiting gebruikmaken door elkaar zo diep mogelijk te beledigen, is oorlog onvermijdelijk. Het vraagstuk is het scherpst beschreven door de Duitse socioloog en politicoloog Max Weber in zijn Politik als Beruf. Hij maakt onderscheid tussen Gesinnungsethik en Verantwortungsethik. Wie volgens de eerste handelt spreekt zich uit volgens het ethisch radicalisme van de ‘Bergrede’, absoluut, zonder te vragen naar de aardse consequenties. God zal hem beoordelen. Dit is niet de ethiek van de politicus. Ook hij laat zijn daden bepalen door zijn besef van goed en kwaad – dat hopen we tenminste – maar hij wordt nu, ter plaatse, ter verantwoording geroepen voor de gevolgen. Deze concrete gevolgen zijn het doel van zijn handelen. Terwijl hij dit doel probeert te bereiken, ontmoet hij allerlei tegenstand. De ‘omstandigheden’ nopen hem ertoe in onderhandeling te gaan, zich desnoods aan te passen, zoveel mogelijk ‘de boel bij elkaar te houden’ zodat hij ‘de beste van alle mogelijkheden’ bereikt, het resultaat van iedere fatsoenlijke politiek.

Niet in de laatste plaats geïnspireerd door de regering van president Bush heeft zich in het Westen de neiging verbreid om de godsdienstoorlog en de strijd om de macht, vooral in het Midden-Oosten, aan elkaar gelijk te stellen. Dat impliceert in dit geval dat de voorstelling van de godsdienstoorlog, de ethische opvatting volgens de Bergrede, ruimschoots de overhand heeft gekregen. En het gevolg daarvan is weer dat de diplomatie op een laag pitje staat, zo niet in sommige gevallen helemaal is afgeschaft. De president handelt als een ethicus van de Gesinnung. Diplomatie is in de jaren van zijn bewind vrijwel in onbruik geraakt. En over de gevolgen van zijn beleid legt hij geen verantwoording af. Integendeel, hij zet zijn koers met groter kracht voort.

Het resultaat is niet het beste van alle mogelijkheden, wat hij altijd had gehoopt, maar een verwoest land, een verzameling tegenstanders die steeds minder toegankelijk wordt voor diplomatie en een versterking van de islamistische partij die de godsdienstoorlog voert. Een rampzalig resultaat. Vrijheid van meningsuiting is onmisbaar. Maar hoe jammer we dat ook kunnen vinden, het kan ook een averechts gevolg hebben. In deze tijd is niet alleen de president van de Verenigde Staten maar iedereen op zijn manier een politicus.