En zijn spel tot tranen toe roerde

De voetballer Cruijff kon kijkers tot tranen toe roeren.

Alleen Pelé en Maradona waren beter, zegt journalist Guus van Holland (58), die Cruijff vaak zag spelen.

Was er nog maar een Cruijff op de Nederlandse voetbalvelden te bewonderen. Dan zou het leven er heel anders uitzien. Dan kon je nog uitkijken naar schijnbewegingen, passes, rushes en doelpunten die nog niet eerder waren vertoond. Acties zoals die vroeger met grote regelmaat te zien waren in De Meer in Amsterdam, waar Ajax met Cruijff zijn thuiswedstrijden speelde. Of in het Olympisch Stadion, waarheen Ajax uitweek voor de Europa-Cupduels. Of gewoon voor de televisie.

Je wilde naar Cruijff kijken – Cruijff, niet Johan Cruijff. En naar Pietje Keizer, die ik bewonderde vanwege zijn trage, maar altijd effectieve schaarbeweging. Ik trok naar Amsterdam om vanuit de tweede ring van het Olympisch Stadion neer te kunnen kijken op de onnavolgbare patronen van het Ajax-spel, de adembenemende actieradius en spontane creativiteit van Cruijff, de subtiele passes en quasi-slome bewegingen van Keizer.

Terug in mijn dorp, Bennekom, oefenden we tijdens trainingen op de bewegingen van Cruijff en Keizer. Zó wilde iedere voetballer voetballen. Al was ik eerder een andere Ajacied, Barry Hulshoff. Net als hij was ik een goed koppende verdediger met lange haren en een baard.

Die haren van voetballers in de jaren zestig. George Best, de geniale, opstandige Noord-Ier werd de vijfde Beatle genoemd. Cruijff met zijn sliertige haren was op zijn manier ook een Beatle: eigenzinnig, brutaal, revolutionair en een jongen die de wereld moest veranderen.

Wie in die tijd een afkeer had van voetbal, omdat voetbal en sport dom en rechts waren, kon toch geraakt worden door Cruijff, zo briljant was zijn spel. Op het veld was hij een revolutionair en daarom hoorde hij bij een nieuwe tijd. Een tijd van provo’s, rookmagiërs en drugs en van wereldverbeteraars als Roel van Duijn en Daniël Cohn-Bendit. Al leek Cruijff zich nauwelijks druk te maken om die veranderde tijdgeest, bezig als hij altijd maar was met geld verdienen, sponsorcontracten en schoenen verkopen.

Slechts twee voetballers waren beter dan Cruijff. De subtiele Braziliaanse technicus Pelé, die ik als kind in 1958 wereldkampioen zag worden (mijn vader zei: „Moet je kijken: zwarten kunnen ook voetballen en veel beter”). Pelé was een zwijgende strateeg, een speler die alleen zijn voeten liet spreken. Later bewonderde ik ook de balartiest Maradona meer nog dan Cruijff. De kleine Argentijn kon ploegen in zijn eentje kampioen maken.

Toch kan ik er niet onderuit: Cruijff heeft mij betoverd. Ik heb hem gezien toen ik nog zelf voetbalde én toen ik vanaf medio jaren zeventig als journalist over hem mocht schrijven. Als ik nu beelden van de voetballende Cruijff terugzie, weet ik het weer. Ik hield mijn adem in, omdat ik wist dat er elk moment iets onverwachts kon komen. Cruijff nam de bal op, streelde hem even achteloos met zijn voet en ging ermee aan de wandel, op weg naar een alsmaar versnellende solo, een doelpunt of een strategische manoeuvre. Ze leidden soms tot tranen van ontroering en bewondering, echt waar.

Charismatisch, dat was Cruijff als voetballer. Daarna ging hij iets anders doen. Dat vergeet ik liever.