Een stok achter de deur voor lastige politiekorpsen

De 25 politiekorpsen laten zich maar moeilijk aansturen en werken slecht samen. Daarom wilde het vorige kabinet een nationale politie. Maar dat is nu van baan, voorlopig.

Den Haag, 25 april. - Een nationale politie komt er voorlopig niet. Maar de behoefte van landelijke politici van alle kleuren om meer greep te krijgen op het politiewerk is niet verdwenen.

Gisteren deed het kabinet een bescheiden en succesvolle poging een betere regie te krijgen over de 25 regionale korpsen in Nederland (zie kader). Volgens de voorstanders niet alleen nodig om de slechte samenwerking en informatieuitwisseling tussen korpsen te verbeteren, maar ook om de eigen visie op politiewerk af te kunnen dwingen bij onwillige korpsen.

De felle tegenstand vorig jaar van de 25 regionale korpsen tegen de invoering van een nationale politie had succes, zo bleek uit het regeerakkoord begin februari. De behandeling van het wetsvoorstel was „opgeschort”. Geen onverwachte uitkomst: de PvdA zag als oppositiepartij niets in een landelijk aangestuurde politiemacht. Volgens de PvdA is de lokale wijkagent de beste oplossing voor het bieden van veiligheid en moet de politie lokaal georganiseerd zijn.

Minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) refereerde gisteren aan de frustratie op rijksniveau over het gebrek aan mogelijkheid om de korpsen bepaalde richtingen op te dwingen, toen hij in de Eerste Kamer met succes een aanpassing van de Politiewet verdedigde die de invloed van het kabinet op de politiekorpsen moet vergroten. Hij was al weer maanden aan het onderhandelen met de politiekorpsen over de prestatiecontracten voor 2007. Het is een terugkerende klacht van de ministers dat ze elke keer weer ellenlange overleggen moeten voeren met alle 25 korpsen afzonderlijk om ze in de richting te duwen die de landelijke overheid wil. Of zoals in de memorie van toelichting bij het wetsaanpassing staat: beïnvloeding van de regionale korpsen moet vooral „via de (veelal bewerkelijke) weg van overleg en overreding”.

Daar hebben de ministers geen zin meer in. Of toch wel? Gisteren zei minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA): „Wij kunnen die landelijke prioriteiten wel opleggen, maar in de praktijk gaat het niet zo. Er wordt onmiddellijk contact gezocht met de korpsbeheerders en bezien of wij op dezelfde lijn zitten.” Het leverde Ter Horst het verwijt op van senator Platvoet (GroenLinks) dat zij probeerde „het centralistische aspect wat weg te poetsen”.

Volgens Ter Horst is er ook geen sprake van spanning tussen nationale en lokale of regionale prioriteiten: „Het is mijn stellige overtuiging dat de doelstellingen van rijk, regio en op lokaal niveau op eenzelfde schaal liggen en in dezelfde richting gaan.” Ze suste ook zorgen over het afnemen van de invloed die gemeenten zouden kunnen uitoefenen op het lokale politiebeleid. De landelijke prioriteiten zijn beperkt, en laten genoeg (financiële) ruimte voor lokale behoeften.

Als de landelijke doelstellingen in overleg worden vastgesteld, en er eigenlijk ook geen spanning zit tussen landelijke en lokale prioriteiten, waarom had het kabinet dan nog een instrument nodig om haar eigen wensen af te dwingen, wilde Platvoet weten. „Waarvoor is die wet dan nog nodig?” Ter Horst legde uit dat zij de verandering in de wet vooral nuttig vond als stok achter de deur.

Het is overigens niet de enige stok van het kabinet. In het regeerakkoord dreigt het kabinet dat als korpsen niet voor 2008 beter gaan samenwerken – één computernetwerk, specialisaties (kinderporno bijvoorbeeld) op elkaar afstemmen, samen materiaal inkopen – die nationale politie alsnog kan worden ingevoerd. Door de discussies over de mogelijke komst van een nationaal aangestuurde politie is de laatste jaren al veel verbeterd in de samenwerking tussen korpsen, is de overtuiging van het kabinet. De schaduw van een nationale politie hangt zo nog steeds over de regionale korpsen heen.