Een kindvriendelijk land, tot de voordeur

Twee onderzoeken naar kindermishandeling worden morgen aangeboden aan minister Rouvoet van Jeugd en Gezin. De cijfers in het ene onderzoek zijn nog alarmerender dan het andere.

Sheila Kamerman enJuliette Vasterman

107.000 kinderen worden jaarlijks in Nederland mishandeld. Of 160.000?

Morgen worden twee onderzoeken naar kindermishandeling, een van de Universiteit Leiden én een van de Vrije Universiteit en het onderzoeksbureau PI Research, gepresenteerd aan minister Rouvoet (Jeugd en Gezin, ChristenUnie). De onderzoeken hebben een totaal verschillende uitkomst.

Hoe kan dat?

Kindermishandeling is lastig te onderzoeken. Het gebeurt meestal achter de voordeur en is niet zichtbaar. Ouders of verzorgers kunnen blauwe plekken of andere verwondingen buitenshuis makkelijk verbergen of bagatelliseren. ‘Oh, hij is van de trap gevallen.’ Psychisch geweld en verwaarlozing is nóg laster te herkennen.

De ernst van het probleem wordt steeds vaker onderkend, ook door politici. De privacy van het gezin is niet meer heilig. Vorig jaar zei toenmalig staatssecretaris Ross (Volksgezondheid, CDA) dat ze af wil van het taboe op ondersteuning van de opvoeding. Weigeren ouders hulp of zijn ze ongemotiveerd, dan moet een niet-vrijblijvende ‘aanpak van drang en dwang’ geoorloofd zijn, vond Ross.

Dat kindermishandeling vaak voorkomt, was duidelijk. Hoe vaak het voorkomt, was niet helder. Er werd op basis van buitenlands onderzoek en schattingen uitgegaan van jaarlijks tussen de 50.000 en 80.000 kinderen.

De politiek wilde hardere cijfers. Het ministerie van VWS en het ministerie van Justitie gaven twee universiteiten de opdracht te onderzoeken hoe vaak kindermishandeling in Nederland voorkomt.

De Leidse onderzoekers kozen voor een methode die gebruikt wordt in de Verenigde Staten. 1.100 getrainde ‘informanten’ – mensen die met kinderen werken op scholen, op kinderdagverblijven, in de jeugdhulpverlening en in ziekenhuizen – rapporteerden gedurende drie maanden in 2005 elk geval van kindermishandeling dat ze tegenkwamen.

Ook de meldingen van gevallen van kindermishandeling bij de zeventien Advies- en Meldpunten Kindermishandeling uit 2005 onderzochten de Leidse onderzoekers. Kinderen die in de jaren voorafgaand aan 2005 zijn mishandeld, vielen buiten de schattingen.

De uitkomst uit het Leidse onderzoek betekent dat 30 van de 1.000 kinderen worden mishandeld. Dat aantal ligt nog hoger dan in de VS, waar onderzoekers uitkomen op 23 kinderen op de 1.000 kinderen. „Het hoge aantal verraste me wel”, zegt hoofdonderzoeker Marinus van IJzendoorn. „Nederland staat toch bekend als kindvriendelijk land.”

De onderzoekers aan de VU gebruikten zelfrapportage als onderzoeksmethode. Ruim 1.800 scholieren uit de eerste vier klassen van 14 middelbare scholen (vmbo, havo en vwo) vulden een vragenlijst in. De leerlingen moesten zelf aangeven of ze ooit te maken hadden gehad met fysiek of psychologisch geweld, verwaarlozing of seksueel misbruik. Of dat ze getuige zijn geweest van ernstig geweld tussen ouders of verzorgers.

Het onderzoek van de Vrije Universiteit vroeg naar mishandeling over een veel langere periode dan het Leidse onderzoek. Hieruit bleek dat jaarlijks ongeveer 160.000 jongeren slachtoffer worden van kindermishandeling.

Het verschil in uitkomst van beide onderzoeken kan verklaard worden door de verschillende onderzoeksmethoden. Bovendien hanteert de VU een bredere definitie van kindermishandeling.

Van IJzendoorn is niet blij met de verschillende uitkomsten. „Het brengt verwarring. Als je het probleem zo oprekt, bagatelliseer je het tegelijkertijd”, zei hij gisteren. De Amsterdamse hoofdonderzoeker Francien Lamers-Winkelman wil geen commentaar geven voordat het onderzoek is aangeboden aan minister Rouvoet. Ook Van IJzendoorn wilde, na het voortijdig uitlekken van zijn onderzoek via RTL4 waarna verschillende kranten erover berichtten, vanmorgen geen toelichting meer geven.

Kindermishandeling komt vooral voor in gezinnen met zeer laagopgeleide of werkloze ouders, blijkt uit het Leidse onderzoek. Ook in allochtone gezinnen komt mishandeling vaker voor, maar gecorrigeerd naar opleiding valt dat onderscheid praktisch weg.

Volgens het Amsterdamse onderzoek is de kans om slachtoffer te worden van kindermishandeling groter voor meisjes dan voor jongers, en groter onder allochtone dan onder autochtone jongeren. Verder is de kans dat een jongere mishandeld wordt groter naarmate andere vervelende voorvallen zich opstapelen, zoals ruzies met de ouders, gepest worden op school of discriminatie.