De verbanning van goed en fout

‘In de ban van goed en fout?’ Dat was de titel van de oratie waarin historicus Hans Blom in 1983 de vraag stelde hoe het verder moest met de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog na de voltooiing van het standaardwerk van L. de Jong over de bezetting, het veertien delen en bijna dertig banden omvattende Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog.

Het vraagteken in de titel was belangrijk. Blom deed op geen enkele manier afbreuk aan de betekenis van het indrukwekkende geschiedwerk van De Jong. Maar hij stelde vast dat deze geschiedschrijving hoofdzakelijk in het perspectief stond van onderdrukking, collaboratie en verzet. De Jong was een ‘volksopvoeder’ met een moraliserende benadering van de geschiedenis.

Die constatering gaf Blom aanleiding tot een pleidooi voor een perspectiefwisseling, zodat er meer ruimte zou komen voor een analytische en interpretatieve geschiedsbeoefening, ook over een tijdvak dat op verschillende manieren altijd nauw verbonden blijft met de politieke en maatschappelijke werkelijkheid. Samengevat komt het erop op neer dat hij waarschuwde tegen het opleggen van hedendaagse normen aan het verleden, dus losgezongen van de tijd- en plaatsgebonden omstandigheden.

Bij zijn afscheid als directeur van het NIOD en als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam maakte Blom, vorige week, bijna een kwart eeuw later, de balans op van wat er terecht is gekomen van zijn pleidooi om andere wegen in te slaan. ‘Nog altijd in de ban van goed en fout?’ noemde hij zijn afscheidscollege – nog altijd met een vraagteken.

Op zijn eigen vakgebied kan de vraag inmiddels met nee worden beantwoord: niet meer. Met tal van voorbeelden toonde Blom aan dat in de wetenschappelijke geschiedschrijving de directe verbinding tussen analyse en moralisering is doorgesneden. De verhouding tussen reconstructie van de geschiedenis enerzijds en de politieke en morele appreciatie van de vakhistorici anderzijds is „nauwelijks meer problematisch”.

Je hoeft geen historicus te zijn om te erkennen dat dit winst is voor de wetenschap en daarmee voor de samenleving. En dat hier een belangrijke verdienste ligt van, onder anderen, Blom. Het terugdringen van de persoonlijke politieke en morele oordelen van de geschiedschrijver is een eis van professionaliteit, wilde de historicus nog maar eens gezegd hebben.

Dat is iets totaal anders dan het ontkennen of negeren van het belang van de politieke en morele dimensie, die niet weg te denken is – en niet weggedacht mag worden – uit de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog. Blom bracht dit zo onder woorden: „De vraag wat de morele en politieke consequenties voor het heden en de toekomst zijn, is belangrijk maar van een andere orde [dan de waardeoordelen van de onderzoekers].” Helaas lopen in de praktijk de vraagstukken van de ene en de andere orde vaak dwars door elkaar heen. De geschiedschrijving mag dan niet langer „in de ban van goed en fout” verkeren, maar volgens Blom ligt dit geheel anders in het publieke debat. Moet ook daar die ‘ban’ gebroken worden?

De historicus zag zich genoopt in te gaan op het verwijt dat hij met zijn benadering van de bezettingsgeschiedenis soms in een gezelschap terecht is gekomen van hen die ‘fout’ gedrag graag geëxcuseerd of gebagatelliseerd willen zien. Het tegendeel is volgens hem het geval. Om die reden maakt hij een (soms moeilijk af te grenzen) onderscheid tussen historiografie en publiek debat.

De moderne wetenschappelijke geschiedschrijving heeft zich losgemaakt van het idee dat men „richtlijnen voor de toekomst” aan het verleden moet proberen te ontlenen. Het openbare debat kan het echter zonder morele en politieke oordelen niet stellen. Daar zit een spanning tussen. In de geschiedschrijving van De Jong stonden drie thema’s centraal: de nationale onafhankelijkheid, de parlementaire democratie en de mensenrechten. De verhalen over de oorlog, betoogde Blom in 2004, „beogen in het publieke debat vrijwel steeds de waarden en normen, die in deze drie thema’s besloten liggen, te onderstrepen.”

In zijn afscheidscollege betreurde Blom het dat het publieke debat over ‘de oorlog’ te vaak wordt beheerst door ‘affaires’ waarin niets te merken is van een verminderde band tussen analyse en morele en politieke appreciatie. Maar volgens hem is dat de prijs die we moeten betalen voor het feit dat we de bezettingsgeschiedenis zo serieus nemen: „Het gaat immers om de kernwaarden van onze samenleving, dus om centrale vragen omtrent goed en fout.”

Mij moet van het hart dat juist deze notie het de afgelopen jaren zwaar te verduren heeft en dat ik het jammer vind dat Blom daarop niet dieper is ingegaan. Ik heb namelijk sterk de indruk dat zijn wetenschappelijke benadering – zie in de geschiedschrijving af van moralisme – door anderen is gevulgariseerd tot de stelling dat ‘goed en fout’ überhaupt niet bestaan. Zijn suggesties zijn misbruikt om de Tweede Wereldoorlog te reduceren tot een verwerpelijke metafoor. Het pleidooi tegen stichtelijke zwart-witbeschrijvingen van de geschiedenis is modieus uitgelegd als een soort ‘één pot nat’-theorie, alsof het niets uitmaakt welke keuzen mensen maken en welke beginselen zij verdedigen.

Vooral sinds de moord op Pim Fortuyn, vijf jaar geleden alweer, kan iedereen die zelfs maar met een pink durft te wijzen naar met de Tweede Wereldoorlog verbonden waarden, rekenen op het verwijt van ‘demonisering’. Of van het aanhangen van ‘de publieke religie rond Auschwitz’. Of van ‘het van stal halen van de vertrouwde analogie’ met de bedoeling ‘het debat dood te slaan met achterhaalde zwart-wittegenstellingen’. Het begrippenpaar ‘goed en fout’ is op zijn minst verdacht geraakt. Het zuiverst is deze mode, of dit nieuwe taboe, verwoord in HP/De Tijd door columnist Dirk-Jan van Baar, die tevreden constateert dat „na jaren van politieke correctheid” de Duitse bezetting niet meer geldt als „moreel ijkpunt”.

Het was een mooie afscheidsrede van Blom. Maar zijn vraag ‘Nog altijd in de ban van goed en fout?’ is dringend toe aan een vervolgvraag, waar hij niet aan raakte. Deze vraag moet luiden: hoe komt het dat ‘goed en fout’ uit het publieke debat dreigen te worden verbannen?