Wie een fiets heeft, is de rijkste man

Het leven in Dickisoni, Malawi, wordt 365 dagen per jaar geregeerd door armoede.

De rijkste man van het dorp, Hammard Andsen, heeft een fiets maar geen geld voor zeep.

Ze wonen in een van de kleinste huizen van het dorp. Tweeënhalf bij drie meter. Lemen wanden. Dak van stro.

Meer ruimte hebben ze niet nodig om zich ’s nachts te kunnen uitstrekken op een rieten mat, Zeneti Julias (22) en haar zoon Manda-Aliza van ruim een jaar. Over het touw dat dwars door het huis is gespannen, hangen al hun kleren en hun enige deken. In een hoek staan al hun werktuigen en keukenspullen. Dat is hun hele bezit. Meer hebben ze niet nodig. Een mens kan met weinig toe.

Dickisoni heet dit dorp, in de plaatselijke taal Chichewa. Dickson in de taal van de Britten, die tot 1964 over Malawi hebben geheerst. Dickisoni ligt nog geen tachtig kilometer van de hoofdstad Lilongwe, tweeënhalf uur rijden over slechte wegen van rode aarde.

Met de hoofdstad heeft het dorp niks te maken. Van de hoofdstad heeft het dorp niks te verwachten. Van de ruim 300 bewoners zijn er zes ooit in Lilongwe geweest.

Dickisoni is een dorp zoals er in Afrika honderdduizenden zijn. Geen oorlog bedreigt dit dorp. Geen ramp teistert dit dorp. Toch tref je er geen tekenen van welstand. Geen groot vee. Geen golfplaten daken. Geen bromfiets. Hier leven de mensen zoals de helft van de wereldbevolking leeft: in alledaagse armoede. Alledaagse armoede houdt Dickisoni klein.

Ook Hammard Andsen, de rijkste man van het dorp, heeft aan het begin van de oogsttijd geen geld meer voor zeep. Ook Hammard Andsen slaapt op de grond die in deze tijd van het jaar ’s nachts afkoelt tot juist boven het vriespunt. Ook de rijkste man van het dorp heeft een inkomen dat onder de internationale armoedegrens ligt van een dollar per persoon per dag. Maar Hammard heeft in elk geval het hele jaar te eten. Hij is een van de weinigen in het dorp.

Hammard heeft een fiets, net als tien andere dorpelingen. Armoede komt in gradaties. De armsten van de armen zijn de alleenstaande vrouwen, zoals Zeneti Julias.

De 46 huishoudens in Dickisoni hebben niet veel nodig om van te leven. Elke dag twee maaltijden van maïsbrei met groente. Eén maaltijd in de maanden dat de regen valt en de oogst rijpt. Dat is alles wat ze verlangen. Wie praat er over vlees?

Natuurlijk hebben ze ook nog geld nodig, maar weinig, zo weinig. Met 245 euro per jaar zou een gezin met vier kinderen zich rijk wanen. Ze zouden genoeg geld hebben voor kunstmest. Ze zouden één keer in het jaar een stel tweedehandskleren kunnen kopen in de nabijgelegen handelspost Kasiya.

Ze zouden nog geld over hebben voor basisbenodigdheden als kookolie, zout en paraffine. Voor schoolgaande kinderen zouden ze een pen en een schrift kunnen kopen. Een ziek gezinslid zou voor medicijnen naar de dichtstbijzijnde gezondheidspost, vier kilometer verderop, kunnen gaan.

Wie geld heeft, kan geld maken. Wie geld heeft, kan behalve maïs ook tabak verbouwen. Tabak levert geld op. Tabak verbouwen en verwerken kost eerst geld.

De meeste dorpelingen in Dickisoni hebben daarvoor het geld niet. Ze hebben niet eens grond genoeg om maïs én tabak te verbouwen. De lapjes grond meten gemiddeld een hectare. Ze hebben zelfs geen geld om kunstmest voor de maïs te kopen. Kunstmest beschouwen ze als eerste levensbehoefte. Zonder kunstmest levert de uitgeputte grond niet genoeg maïs op.

Als de oogst niet toereikend is, slaat al snel de paniek toe. Om maïs of geld te verdienen, zoeken ze los werk op de grote plantages. Ze verwaarlozen hun eigen akkers. De volgende oogst zal nog slechter zijn.

Elk jaar in de regentijd heerst diarree. Elk jaar in de regentijd rillen kinderen van de malaria. Wie geen geld heeft, neemt een zieke zoon niet op zijn rug. Wie geen geld heeft, brengt zijn kind niet naar de dokter. Wie geen geld heeft, bidt tot God.

Een op de vijf kinderen in Dickisoni sterft voor zijn vijfde verjaardag. De levensverwachting bij geboorte in Malawi is nog geen 40 jaar.