Vriendschap is hier een illusie

De expat en de immigrant in New York verschillen van elkaar. Een kortstondige liaison versus een werkelijk opgaan in de Amerikaanse samenleving. Zelfs de kinderen willen dan niet meer terug – zeggen ze in lacherig Nederlands.

TEKST EN BEELD Ton Vriens

Kort voor we naar Amerika vertrokken, vloog ik in het geheim op een middag naar Londen. In een nette flat in West End opende een jonge vrouw de Tarotkaarten. Ms. Alice wist niets van mij maar vertelde me wie ik was en waar ik naar toeging, zij het in wat cryptische termen. Over een oceaan, een huis aan het water, een uitvinding die u rijk maakt, een boek van encyclopedische lengte, een goudkleurige auto, een tweeling in het verschiet en heeft u misschien een linkshandig kind?

Met twee baby’s, een hond en een kat, kwamen we aan op Kennedy Airport. September 1985. Een bevriend Amerikaans echtpaar wachtte ons op in twee auto’s, een grote Buick en een kleine Japanse sportauto – goudkleurig.

We huurden een verdieping in New Jersey, aan de overkant van New York. Als ik ’s morgens met de bus over de brug naar Manhattan reed, had ik het vaak te kwaad. Het leek onbegonnen werk hier voet aan de grond te krijgen. Maar in de weekends verkenden we gretig de nieuwe wereld – in de goudkleurige auto.

Langzaam maar zeker begon het bestaan vorm te krijgen. Iedere immigrant kent de ingrediënten: schepen verbrand en de vaart van dit land. Ooit ontmoette ik in Baton Rouge een Nederlandse helikopterpiloot, Joe Hartung. Hij had besloten zich te laten naturaliseren. Zou ik nooit doen, zei ik. Wacht maar, zei Joe. „You have the 7-year itch. Maar na zo’n jaar of tien? Dan weet je, you can’t go back!”

Op zoek naar de ervaringen van andere Nederlanders in New York is de vraag steevast: blijf je? Het onderscheidt de expat – de horde advocaten, bankmensen en managers die voor een paar jaar worden uitgezonden – van de immigrant.

De expat heeft met New York een kortstondige liaison. Hij flirt misschien met de gedachte verder te gaan maar behoudt afstand. Dat doet hij door voornamelijk met andere Nederlanders om te gaan.

De immigrant wist het al als kind – ik ga weg. Hij verdwijnt in de Amerikaanse samenleving. Van zijn Nederlanderschap resteert slechts het accent. ‘I think’ blijft ‘I sink’. Een klein litteken. Zijn kinderen spreken lacherig drie woorden Nederlands: oma, sinterklaas, gvd.

En dan zijn er de ware Flying Dutchmen: de avonturiers, de jongeren zonder bagage, de solisten die deze berg willen beklimmen – al is het maar eens in hun leven.

Sara van der Heide (30) had een terugkerende droom: dat ze over de toppen van de wolkenkrabbers van New York vloog. Ze voelt zich thuis in New York. „In Nederland ben ik een vreemde. Hier ben ik normaal. Iedereen hier komt ergens anders vandaan.” Sara maakt grote schilderijen die niet alleen veel kleur en vorm hebben maar ook ergens over gaan. Het zijn hedendaagse gebeurtenissen.

Haar nieuwe serie heet Amerika, geïnspireerd door Kafka’s onvoltooide roman over een jonge Duitse immigrant, die zich door de rassen- en klassenrelaties in Amerika heen worstelt.

Sara observeert verschillende lagen in de samenleving zonder een oordeel te vellen. Van het Amerika dat oorlog voert in Irak tot arme sloebers die geloven in hun toekomst in Amerika. En niet alleen om economische redenen.

Sara heeft een beurs voor een jaar New York van het Fonds BKVB. Zou ze hier willen blijven? „Ja! Maar of het kan? De huren zijn hier erg hoog, duizend dollar voor een hangkast. En je weet nooit of je volgende serie in de smaak valt. Misschien is dat wel het verschil tussen Amerikaanse en Europese kunstenaars: de vrijheid kunst te maken zonder je af te vragen, verkoopt het wel? Maar ik zou het wel willen proberen.”

Ik ontmoet Rob van Dorssen (55) bij een modeshow van modekoningin Norma Kamali. Met de swagger van een Mick Jagger danst de haar-en-make-up-stylist van model naar model en brengt orde in de haardossen. Norma stelt hem voor: „I know Rob one hundred years! He is fabulous!”

Ruim twintig jaar geleden trok Rob naar New York voor het blad Glamour. Lang was het een haat-liefde verhouding met Amerika. „Het was mij zo ingeprent dat Amerikanen dom en oppervlakkig waren.”

Rob maakte in New York, eind jaren ’80, het begin van de aidsepidemie mee. Hij stond versteld van de rauwheid van de gayscene. „Busjes waar je het met vijfentwintig man op een avond deed – vreselijk.” Met zijn Canadese vriend kocht hij een tweede huis, buiten aan een meer. Vooral leuk voor de hond en ver van gay New York. Rob: „Zo’n huis had ik me nooit in Nederland kunnen veroorloven.”

In de trein op weg naar zijn moeder in Oss – weilanden, koeien, een kerktorentje – is er een behaaglijk gevoel van thuiskomen. Maar na een paar dagen valt het hem weer op, dat iedereen in Nederland altijd maar klaagt.

Teruggaan voor de oude dag? „M’n AOW is toch bijna niets meer. En, met het ouder worden realiseer je dat het noch in Amerika, noch in Nederland zo geweldig is. Je concentreert je meer op wat jou gelukkig maakt.”

Rob wil wel gebruik maken van de wetswijziging in Nederland die een dubbele nationaliteit toestaat. „Ik durfde het nooit tegen mijn moeder te zeggen dat ik Amerikaan wilde worden – het leek zo definitief, bijna een scheiding.”

In een grote loft op Varick Street heerst diepe concentratie achter de beeldschermen. Architect Winka Dubbeldam (40): „Eerst doe je wat verbouwingen en aanbouwingen en dan is er een switch: je doet een gebouw. Zo’n verantwoordelijkheid! Dozijnen medewerkers aantrekken, iets bouwen waar de mensen niet uitvallen, en het gaat om tientallen miljoenen…”

Winka werkte met beroemde Amerikaanse architecten als Peter Eisenman en Steven Holl, en doceert aan de universiteit van Pennsylvania. Ze is doorgestoten tot een kleine internationale elite van architecten die hun filosofie over de samenleving kunnen weergeven in wat ze bouwen.

Winka: „In Nederland was ik veel eerder aan bouwen toegekomen. Er is meer vertrouwen in jong talent, er zijn subsidies. Maar in Amerika kun je meer doen en veel meer leren. Het intellectueel peil ligt hoger. Opdrachten krijgen gaat hier ook niet altijd zonder kruiwagens, maar het is minder een coterietje dan in Nederland”.

Winka heeft nu een partner maar was nog vrijgezel toen we elkaar tien jaar geleden in New York voor het eerst ontmoetten. Wat zijn haar ervaringen met de Amerikaanse dating scene?

Winka snuift. „Als je in Nederland iemand aardig vindt, ga je wat drinken – en dan zie je wel. Hier word je in de eerste ronde onderworpen aan een interview. Wat doet je vader en zo? Amerikaanse mannen willen meteen weten of je de ware bent”.

Zijn haar vriendschappen met Amerikanen anders?

„Onze humor choqueert. Je maakt een sarcastische opmerking en dan weten Amerikanen even niet hoe ze het met je hebben. Het is een wereld van losers en winners. Men laat zich uitsluitend van zijn beste kant zien. Zelfkritiek zoals in Nederland hoort daar niet bij.”

Fleur van den Berge (28) had ik een keer bij de VN ontmoet waar ze kaartjes voor Broadway verkocht. We spreken af bij de Maritime, een groot trendy café in Chelsea waar in de serre gerookt kan worden. Fleur heeft haar kamergenote Roosa Dessisso (22) meegebracht. Roosa werkt in de modewereld – en ze heeft de zinderende intensiteit waar de New Yorkse modewereld op draait. „Ze lopen hier over je heen als je er niet voor gaat.” Fleur noemt haar vriendin hard voor zichzelf. Maar Roosa heeft haast en is bang te verslappen. Ze wil in New York blijven – voor goed. Fleur weet het nog niet. „Ik ben naar New York gekomen om schoon schip te maken. Niet meer en niet minder.” Ze freelancet voor verschillende bedrijven. Maar ze mist oma, de gezelligheid en het gemak van het leven in Nederland. „De energie die deze stad me geeft, put me ook uit en daarom pak ik om de paar maanden mijn koffer en ga ik terug. Ik ben verliefd op New York maar ik kan niet kiezen”

Leen Grijns (69) kwam op een Fulbrightbeurs naar New Orleans. Hij ontmoette daar Janice, had geen geld voor een intercontinentale vrijage en kwam terug voor haar hand. Ze zijn veertig jaar getrouwd. „Gelukkig getrouwd.” Vier volwassen zonen. Een mansion in Connecticut.

Leen (Lane) werkte voor een Amerikaanse bank, toen een Nederlandse bank hem vroeg in New York een nieuwe afdeling op te zetten. Ze begonnen te handelen in Zuid-Amerikaanse schuldpapieren, een nieuw product. Jonge handelaren en dealmakers werden ingehuurd. Vanaf de mezzanine van het deftige kantoor aan Park Avenue overzag Grijns de high fives, rondvliegende basketballen en darts. Ik draaide er als filmmaker een promotiefilm en leerde Leen kennen als een vaderlijk figuur die zich ieders sores aantrok en een neus had voor talent. Er werd groot geld gemaakt. Een lange succesvolle carrière in Amerika, heeft het geholpen vriendschappen op te bouwen met Amerikanen?

Leen: „Amerika is een vermoeiend land. Iedereen is alleen maar bezig met rijker worden. Vriendschap, zoals we dat in Nederland kennen, vind je hier niet.”

Onlangs moest hij naar een studentenreünie in Utrecht. De groep was bijeengeroepen omdat een clubvriend terminaal ziek was. De meeste clubgenoten had hij zo’n veertig jaar niet gezien. „Binnen een half uur was het alsof ik nooit was weggeweest.”

Wat maakt een Nederlander in het buitenland zo herkenbaar? Meer nog dan ons accent is het hoe we lopen, staan en zitten. Hoe we de benen over elkaar slaan. De lichaamstaal weerspiegelt een air van wie doet me wat, de straat is van mij maar ook van openheid en nieuwsgierig rond durven kijken.

In de Brasserie, een cool immens restaurant midtown New York, spot ik al snel mijn gesprekspartners. Jonge dertigers: Stephan Smeets en David de Swaan in pak zonder das – het is casual Friday in New York – en een blonde vrouw met een vrolijk gezicht, Jacinta de Vogel.

Stephan en David werken bij een Nederlands advocatenkantoor en moeten binnen afzienbare tijd terug naar Nederland. Ze moeten lachen om de vraag of het hard knokken was om naar New York te worden uitgezonden. Stephan lakoniek: „Ach. De concurrentie viel wel mee. 75 procent van de mensen zeggen dat ze naar New York willen maar uiteindelijk vallen er een hoop af vanwege een partner of een hypotheek”. Jacinta werkt bij een Nederlandse bank in New York – zij blijft met haar man zolang het bevalt.

Ze wonen alle drie – met een klein kind – op Manhattan. Dat is vanwege de huurprijzen niet voor iedereen weggelegd. David: „Dat verklaart deels de orde en veiligheid in deze stad.”

Alle drie zijn ze lyrisch over de kwaliteit van het leven in New York. Jacinta: „Voor kinderen is New York geweldig. De speeltuinen, de kindermusea, de jeugdopera. Er is een bioscoop waar ze het geluid ’s middags zachter zetten zodat je je kind mee kan nemen voor een tukje.”

Wat heeft hier de meeste indruk gemaakt?

Stephan: „De vriendelijkheid van Amerikanen!”. Een anekdote volgt: „Mijn vrouw begon hevige weeën te krijgen en ik sta met haar op straat en probeer wanhopig een taxi aan te houden. Laat dit uitgerekend de dag zijn dat het openbaar vervoer staakte. Geen taxi te vinden. Een jong echtpaar stopt – de vrouw stapt uit en de man brengt ons naar het ziekenhuis. Ze wilden van geen dank weten. ‘Je zou voor ons hetzelfde doen’, was hun reactie.”

Kersen de Jong (55) belt dat zijn vlucht naar Florida is geannuleerd en dat hij te laat is voor onze ontbijtafspraak omdat hij zijn benen nog niet aan heeft. In 1976, op weg naar een muziekuitvoering in Carnegie Hall, werd Kersen door een auto aangereden. Dankzij post-Vietnam kunstbenen kon hij zijn carrière toch voortzetten.

Kersen kocht een enkele reis naar Amerika in 1971. Een nette jongeman uit Den Haag met een vlinderdasje. Hij had van kind af aan de succesverhalen gehoord van vrienden en bekenden van zijn grootouders, onderdeel van de naoorlogse emigratiestroom toen de overheid je zelfs geld toegaf als je vertrok. Kersen werd directeur van de Netherlands Chamber of Commerce in the USA, Inc en reisde wekelijks dwars door de Verenigde Staten om vier kantoren te runnen en op seminars het Nederlandse bedrijfsleven te verkopen.

Als een van de freelancers die een tijd voor de Chamber werkte, herinner ik me hem als een potentaat en een harde coach voor een leger van stagiaires. Kersen: „Negentig procent van die lui die hier vers uit Nederland aankwamen, waren zo rechts – die moest je gewoon opvoeden.”

Als een uitgesproken voorstander van een vrije economie – greed is good – volgt Kersen tevens de Amerikaanse traditie van filantropie op grote schaal. Hij heeft zich ontfermd over tal van projecten voor zwarte jongeren, zoals een muziekschool in Chicago en het Harlem Boys Choir. De coïncidentie ontgaat hem niet: „Ik verloor mijn benen op weg naar Carnegie Hall en nu wil ik jongeren een kans geven er op te treden”.

Volgens Kersen zou hij in Nederland als gehandicapte niet dezelfde mogelijkheden hebben gehad als in de VS. „Niet alleen fysiek maar ook mentaal. Ik kan hier in een rolstoel met het openbaar vervoer naar het Yankee Stadium. Dat zou je in Nederland moeten proberen!”

Kersen haalde Nederlandse parlementariërs naar Amerika zodat ze de praktijk van de American Disability Act leren kennen „De Amerikaanse samenleving heeft de reputatie meedogenloos en unfair te zijn. Maar Nederland kan wat leren van de gelijke behandeling die hier in de wet is vastgelegd”.

Last but not least: hoe denken de kinderen van de Nederlandse immigranten over het leven in de Verenigde Staten? Gina, mijn oudste dochter, die onlangs een semester in Nederland studeerde, twijfelt geen seconde: „Als ik in Nederland was opgegroeid, zou ik naar New York zijn gegaan. No other place matches up to it!” Maar Emma Hofman (19), dochter van een bevriend Nederlands stel, geboren en getogen New Yorker, denkt erover naar Nederland te verhuizen. „Het leven in Nederland is veel beter. Er wordt daar gewoon beter gezorgd voor de mensen”.

Mijn dochter Lauren (19), eerstejaars studente in New York en eveneens geboren in de VS: „Iedereen in de wereld haat Amerikanen. Zelfs New Yorkers haten Amerikanen.” Namen haar ouders de verkeerde beslissing door hier te immigreren? Lauren heeft er begrip voor hoe het avontuur destijds lonkte, maar ze beschouwt Nederland als een veel gezondere samenleving. „Je hebt er zelfs geen daklozen!”

Helaas, moet ik haar teleurstellen, ook dat is niet langer waar.

Sinds een handjevol kolonisten hier vier honderd jaar geleden aan land roeiden, hebben Nederlanders zich verbonden gevoeld met New York. In zijn boek Nieuw Amsterdam, eiland in het centrum van de wereld roemt de Amerikaanse auteur Russell Shorto de Hollandse inbreng op het gebied van godsdienstvrijheid, mensenrechten en vrijhandel. Menig immigrant zal iets herkennen in Shorto’s portret van de Nederlandse gouverneur Peter Stuyvesant (1610-1672) – een strijdvaardige figuur die ten onderging aan zijn beste kwaliteit: vasthoudendheid. Koppigheid, een onmisbare eigenschap in een vreemd land, leidt helaas ook vaak tot isolement.

Een Nederlander in New York. Op de fiets naar huis in Harlem, vallen de namen van Nederlandse origine en de gevels met hun Nederlandse ornamenten, al niet meer op. Maar de stad – als je door je oogharen kijkt – blijft nieuw. Dansende rode, gele en blauwe vlakken: Mondria(a)n’s Broadway boogie woogie.

UIT DE ENQUÊTE: Veel mensen zijn voor werk naar New York verhuisd. Iedereen moet een sociaal leven opbouwen en staat open voor nieuwe contacten.

VROUW (GEB. 1971-1980), VERENIGDE STATEN

UIT DE ENQUÊTE: Ik maak me zorgen over onze ophanden zijnde terugkomst. De Nederlandse lompheid zal onze kinderen zwaar vallen.

MAN (GEB. 1951-1960), VERENIGDE STATEN