Twee Belgiës maken kennis met elkaar

Een Vlaamse en een Waalse krant ruilen sinds kort kopij en journalisten uit.

Een nuttige kennismaking.

Het is een running gag geworden. „Wat is er gebeurd in Vlaanderen?” vraagt Olivier wekelijks als we elkaar ontmoeten. Hij is midden dertig en journalist, net als ik. Maar anders dan ik is hij Belg. Daarom verraste het mij te ontdekken dat er een deel van België is waarover ik, nog maar anderhalf jaar in het land, hém kan bijpraten: Vlaanderen.

Dat komt zo: ik lees dagelijks Vlaamse kranten. En die verschillen nogal van de Franstalige media die Olivier volgt. Zo kon ik hem verbazen door te vertellen dat er in de Vlaamse regering een minister voor Buitenlands Beleid is. Het was hem ontgaan dat het Vlaamse streven naar onafhankelijkheid zo vergevorderd was.

Maar de Franse presidentsverkiezingen volgt hij op de voet, want daar is veel aandacht voor ten zuiden van de taalgrens. Op die taalgrens, in een Brussels café, spreken we wekelijks af om elkaars talen te oefenen.

Dat Vlamingen en Walen hun eigen media met hun eigen werkelijkheden hebben, werd eind vorig jaar pijnlijk duidelijk toen de Franstalige omroep RTBF een nepdocumentaire uitzond die het einde van België aankondigde. Het ene deel van het land trapte er massaal in, het andere was stomverbaasd toen het dat vernam.

Kort daarna schreef hoofdredacteur Peter Vandermeersch van de Vlaamse kant De Standaard een artikel onder de kop ‘Nous en avons marre’ – we zijn het beu. De clichés bedoelde hij, die er aan Waalse zijde bestaan: alsof alle Vlamingen vendelzwaaiende racisten zijn.

Belgische media bestaan niet in België, zoals er ook geen Belgische politieke partijen zijn. Des te spannender is het project waartoe Vandermeersch enige tijd geleden besloot met zijn collega Béatrice Delvaux van de Franstalige krant Le Soir. Sinds 24 maart wisselen de kranten journalisten én kopij uit. Vier weken lang berichten ze samen over België.

Embedded journalisten doen verslag van hun ervaringen. Zo schrijft Karel Verhoeven van De Standaard dat hij bij ‘de Andere’ gaat werken – „op een redactie waar de mannen elkaar ’s morgens kussen terwijl wij amper een groet grommen”. Collega Wim De Preter blogt dat hij voor het eerst in zijn 12-jarige carrière voor zijn krant naar Charleroi gaat, „terwijl dat al bij al toch een van de grootste steden van het land is”.

Bij De Standaard is ‘de Waal’ geen onbekende, merkt Paul Gérard van Le Soir ironisch op, maar ‘een vaste waarde’. „Hij zorgt ervoor dat iedereen het eens wordt. Tégen hem, dat spreekt vanzelf. Dat lukt bijna altijd: maak in een vergadering informatie bekend over een Waal, en u kunt er zeker van zijn dat er binnen 5 seconden een krasse rotopmerking valt.”

Elke dag behandelen de kranten een thema. En wat blijkt? Er zijn inderdaad nogal wat verschillen tussen Vlamingen en Walen. Zo kleden Vlamingen zich vlotter en hipper, vertellen kledingverkopers in de twee kranten. Franstalige advocaten hebben meer tijd nodig voor hun betoog. En op de Vlaamse tv wordt vaker over seks gepraat. Er bestaat geen Waalse Goedele Liekens. Gemakshalve ga ik ervan uit dat ik de Nederlandse lezer niet hoef uit te leggen wie Goedele Liekens is; werkte ik voor Le Soir dan moest ik dat wel doen. De meeste bekende Vlamingen zijn namelijk onbekend in Wallonië, en vice versa.

En zo ontdekken Le Soir en De Standaard elke dag nieuwe verschillen. Al blijken de overeenkomsten soms ook groter dan gedacht. Zo was vorige week te lezen dat Vlamingen en Walen, anders dan vroeger, tegenwoordig bijna net zo veel uitgeven aan gezondheidszorg. Dat is een politiek gevoelige constatering. Verschillende Vlaamse politici willen dat Vlaanderen zelf verantwoordelijkheid krijgt voor gezondheidszorg, omdat dat voor het noordelijke landsdeel voordeliger zou zijn. Maar de reacties op dat nieuws verschilden aan beide zijden van de taalgrens, en dat was dan weer wel zoals gedacht.

Als Nederlander in Brussel valt het me nog regelmatig op hoe groot de verschillen zijn tussen Nederlanders en Belgen – álle Belgen. Wij zijn minder beleefd en maken meer lawaai als we praten. Natuurlijk, ook dat zijn clichés. Maar ze worden bevestigd als ik met Olivier op een terras zit. Een paar Nederlanders die een dagje Brussel doen, vragen of de stoelen aan onze tafel vrij zijn, schuiven aan, en beginnen een gezellig praatje – zich niet storend aan het feit dat wij in gesprek waren. Ik zie Olivier schrikken.

„Word je hier ook bediend”, vraagt een van de Nederlanders. „Als je vriendelijk bent wel”, antwoord ik. Zo bot durf ik alleen te zijn tegen Nederlanders.

Lees in beide kranten over de uitwisseling: www.lesoir.be/dossiers/Face_a_face en www.standaard.be/noordzuid