Kaaps Carnaval bruist door het Hollandse vet

Verschillende generaties Nederlanders emigreerden al naar Zuid Afrika. De eerste sloot aan bij de apartheid. De tweede generatie is nu bejaard. Terug naar Nederland willen ze niet meer maar één ding is zeker: Nederland zit in je botten.

Wim de Bruijn in de oliebollenkraam Foto Ellen Elmendorp Wim de Bruijn, organisator van NL stand, in de poffertjes stand op het Wynberg Carnaval in Kaapstad, Z.Afrika 3 Maart 2007 ©Ellen Elmendorp Elmendorp, Ellen

Bram Vermeulen

Ook al woont Wim de Bruijn (72) volgend jaar precies een halve eeuw in Zuid-Afrika, je hoeft hem maar te bellen en je weet waar zijn loyaliteit ligt. Dan gaat in zijn spijkerbroek plotseling het Wilhelmus rinkelen. „Dat beltoontje heeft mijn zoon voor me gedownload. Geweldig toch’’, lacht hij, guitig als een tiener. Het Nederlandse volkslied draagt hij zo altijd met zich mee.

Nederland zit in je botten, zeggen ze hier. Hoe langer je er weg bent, hoe meer je dat beseft. Wim de Bruijn zit het in de botten. Prins Willem de Vierde en vrouw Máxima hangen bij hem op de koelkast. En de nageschilderde landing van Prins Willem de Derde bij Brixham in 1688 is het pronkstuk van de huiskamer, naast het Delfts blauw en het bordje Holland groeit weer, Holland bloeit weer. 5 mei 1945.

De Bruijn vroeg me bij hem thuis te komen, naar zijn huisje in de zuidpunt van het Kaapse Schiereiland. Dat is een landtong die zich vanaf Kaapstad uitstrekt langs prachtige Zuid-Afrikaanse vergezichten, het snijpunt van twee oceanen. Zo ver weg als Holland hier voelt, zo dichtbij is de gedeelde geschiedenis van twee continenten. De kust ziet er hier op de meeste uitkijkpunten nog precies zo uit als in de tijd (1652) dat Jan van Riebeeck hier namens de Verenigde Oost Indische Compagnie aan land ging om „een Fort ende Tuyn” aan te leggen.

Het fort van Wim de Bruijn heet Amstelredam, een bescheiden woning in het Da Gama park. Dat is een woonwijk aan het water, die de naam van de eerste Portugees draagt die om de Kaap zeilde. Een wapenschild met de drie Amsterdamse kruisjes hangt er trots aan de voorgevel. Hier woont een Hollander en iedereen mag het weten. In 1958 kwam Wim de Bruijn hier aan op een boot met de naam Jagersfontein, op de Holland-Afrikalijn. Wim: „In Nederland was een huizentekort. Het was de naoorlogse tijd en Nederland had weinig banen. Ik was 23 en mijn vrouw 29. We zochten werk en een nieuw leven’’. Hij vond een baan in de scheepvaart, als stewadoor: een makelaar in scheepsladingen.

Zo landde hier een hele generatie van naoorlogse gelukzoekers. In de jaren vijftig vertrokken zo’n dertigduizend Nederlanders naar Zuid-Afrika. Zij zijn de sandwichgeneratie. De generatie voor hen behoorde nog tot de bloedverwanten van de Afrikaners, in de tijd dat de blanke Zuid-Afrikanen van verre Hollandse komaf nog op sympathie konden rekenen in Nederland door hun strijd tegen de Britten in de Boerenoorlog aan het begin van de eeuw.

De generatie na die van Wim de Bruijn kon het thuis al niet meer uitleggen. Emigratie naar Zuid-Afrika. Tegen die tijd kende heel de wereld de Afrikaners als de uitvinders van de apartheid of de beulen van Sharpeville (1960) en Mandela en de zijnen. Tegen die tijd waren Hollanders medeplichtig aan een regime met ouderwetse idealen.

Wim de Bruijn: „In onze tijd werden in Nederland nog boeken uitgegeven die de apartheid uitlegden als een idee dat gunstig was voor de zwarten. Mijn familie in Nederland geloofde daar ook wel in. Ze waren erg christelijk en zagen de blanken hier als de aangewezen brengers van het geloof. Verlossers, met de hand op de bijbel. Pas veel later begon ik te denken: was het wel zo verstandig om naar Zuid-Afrika te gaan. Ik bedoel: als je er niet actief tegenin gaat, dan werk je er aan mee.”

Hollanders waren zo welkom in apartheid Zuid-Afrika als joodse immigranten in Israël. Met Hollanders, zeggen Afrikaners, „kan ons Afrikaans praat’’. Dat taaltje leerden ze wel. Ze barbecueden met de Afrikaners mee en noemden het een ‘braai’. Ze leerden de regels van het cricket en rugby op het sportveld. Maar op zaterdag ging Wim de Bruijn toch liever zeilen, op het meertje achter zijn huis. „Net de Vinkeveense plassen’’, zoals hij zegt.

Zuid-Afrikaan is hij nooit geworden. Wim: „We hebben nooit de Zuid-Afrikaanse nationaliteit aanvaard. Zolang dat niet noodzakelijk is, blijf ik Nederlander. Het is toch het land waar je bent geboren en getogen. Ik wil hier nooit meer weg, Zuid-Afrika is een prachtig land. Maar ik blijf Nederlander.’’

Nederlanders blijven Nederlanders. Zelfs als ze tienduizend kilometer naar het zuiden reizen en nooit meer terug willen naar het kleine benauwde vaderland. Alles wat ze missen aan Nederland, is tenslotte ook in Zuid-Afrika te vinden. In Kaapstad vinden ze elkaar in de Nederlandsche Club. Of anders wel in het Huis der Nederlanden, in Somerset West. Om te bridgen. Om te golfen. Om te horen over het eerstvolgende optreden van een bekende Nederlander, zoals Paul van Vliet, Herman van Veen of Stef Bos. Om gewoon even thuis te zijn.

„Kom we gaan’’, zegt Wim de Bruijn. Tijd voor het Wynberg Carnaval. De Kaap viert deze week de Community Chest, een grote braderie. Hier mogen de verschillende nationaliteiten die hier door de eeuwen heen zijn aangekomen, laten zien wat ze in huis hebben. De Oostenrijkers brengen worsten mee. De Indiërs braden hete kip. Maar volgens De Bruijn schittert geen gemeenschap deze drie dagen zoals de Hollandse minderheid. „We zijn veruit de grootste.’’ De Bruijn is de drijvende kracht achter de Nederlandse inbreng. Hij is al maanden bezig met het regelen van bitterballen, kaas, kroketten, oliebollen en drop. Wim: „Alle transport is gratis. Geregeld via mijn vriendjes op de grote vaart.’’

Het Kaapse carnaval is thuiskomen voor De Bruijn. Maar sinds het nare voorval van vorig jaar herinneren deze dagen hem er ook aan dat het hier nog steeds Zuid-Afrika heet. „Vorig jaar kwamen mijn vrouw en ik om een uur of één ’s nachts thuis van het carnaval, toen er een auto stopte voor onze garagedeur. Er kwam een man uit en die zei dat hij de weg kwijt was. Maar het volgende moment had ik een revolver tegen mijn hoofd.’’ De Bruijn begint te lachen, verontschuldigend. „Mijn vrouw begon toen met een kleerhanger op hem in te slaan. Toen kreeg ze klappen. Ze hebben juwelen en de stereo meegenomen. Dat zijn maar spullen. Maar zo’n gebeurtenis blijft je achtervolgen.’’

Holland Village is inderdaad de grootste. Amsterdamse geveltjes gemaakt van karton omringen een veldje met plastic tafels en stoelen. Zuid-Afrikanen en Hollanders staan hier rijen dik te wachten voor de kraampjes met gerookte paling en makreel en pannen vol knetterend frituurvet. „De mussen vallen van het dak, maar wij bakken oliebollen’’, grinnikt Sini Wiechers, ook al 58 jaar in Zuid-Afrika. „Waar zijn de kroketten?”, roept een van de braadvrouwen door het gesprek heen. Sini verweert zich: „Ja, even wachten hoor. Het is de eerste dag, we zijn net begonnen.’’

Ach ja, integratie in de Zuid-Afrikaanse samenleving. Dat streven heeft Wiechers al decennia geleden opgegeven. Zwarte vrienden heeft ze sowieso niet, zwarte talen spreekt ze niet. Wat haar betreft gaat het gevecht vooral tussen de Hollanders van haar generatie en de Zuid-Afrikanen die zich Afrikaner noemen omdat hun wortels hier al eeuwen liggen.

Sini: „Ik heb hier op de middelbare school nog Afrikaans geleerd. Maar ik heb me er nooit thuis bij gevoeld. Je loopt steeds weer tegen een muur op. ‘Kom eens langs’, zeggen ze dan. En dan kom je, en dan zien ze je het hele feest niet staan. Als het ze uitkomt, dan ben je een vriend. En anders blijf je toch een kaaskop. Ze zijn niet oprecht, weet je. Uiteindelijk kun je toch alleen je eigen mensen vertrouwen.’’

Nederland is veranderd in de afwezigheid van Wim de Bruijn, Sini Wiechers en de rest van de sandwichgeneratie die hier staat te bakken en te braden. Vroeger moesten ze het nog uitleggen als ze even teruggingen naar Nederland, die verschillen tussen de rassen, de normen en de waarden. Maar sinds Pim Fortuyn, sinds Rita Verdonk en Geert Wilders is het stukken gemakkelijker geworden voor de overzeese Hollanders.

„In de jaren zeventig ontmoette ik de schrijver van een Nederlands boekje over Zuid-Afrika. Die zat op zo’n verjaardagsfeestje af te geven op de Nederlanders in Zuid-Afrika”, vertelt Sini. „Ik hield wijselijk mijn mond. Maar toen het even later over allochtonen ging, heb ik hem gevraagd: wat zou jij doen als er zo’n Turk naast je komt wonen? Onmiddellijk verhuizen, zei hij toen. Ik zeg: nou, kom naar Zuid-Afrika, daar zult u zich prima thuis voelen.”

„Met Geert Wilders ben ik het helemaal eens”, kneedt Sini vrolijk verder. „Die Marokkanen moeten kiezen. Of je bent Marokkaan. Of je bent Nederlander. Je kunt niet met één voet hier en één voet daar staan. Als je Nederlander wilt zijn, moet je durven kiezen.’’ En als Sini Wiechers zou moeten kiezen, tussen Zuid-Afrika en Nederland? Ze zwijgt even, terwijl ze het oliebollendeeg fijnknijpt in haar vuisten. „Als ik moet kiezen blijf ik Nederlander. Dan ga ik toch maar terug, ook al zou ik het niet leuk vinden. Ergens zes hoog moeten wonen, getver.’’ Deze generatie is de keuze al lang voorbij. Teruggaan zou te duur zijn, en te zuur. Veel blanke Zuid-Afrikanen, misschien wel een miljoen, vertrokken na het einde van de apartheid naar het buitenland. Bang voor de misdaad die ineens ook de rijke wijken binnendrong. Bang voor de economische hervormingsprogramma’s die zwarten voortrekken bij het sollicitatiegesprek. Mondjesmaat komen ook zij weer terug, vol heimwee naar de ruimte en de zon. „Die broodjes zijn wel erg slap hoor. Allejezus wat een kutbroodjes’’, klinkt het bij de kraam voor bitterballen en kroketten. Radbout Janssen (62) moet wel lachen. „Je ontmoet hier zo ontzettend veel leuke mensen.’’ Janssen begon een paar jaar geleden een pension. Hij had van tevoren niet gedacht dat het hem zo goed zou bevallen. Radbout: „De West-Kaap heeft natuurlijk niets met Afrika te maken. Het is Zuid-Frankrijk maar dan minder modern. En als blanke ga je hier naadloos op in de omgeving. Heel anders dan op Bali, waar ik eerst was. Je hoort er hier meteen bij.” Janssen slaat Wim de Bruijn gemoedelijk op zijn schouders. „Geweldig geregeld allemaal Wim, en de bitterballen zijn weer heerlijk.” Janssen golft graag met zijn landgenoten. Sinterklaas, Koninginnedag, hij is altijd van de partij, vertelt hij voordat het gesprek weer over de Nederlandse politiek dreigt te gaan. „Dat is natuurlijk het verschil met buitenlanders in Nederland. Wij passen ons altijd en overal aan. Daar staan wij Nederlanders om bekend. Die naam hebben we in de hele wereld.’’

UIT DE ENQUÊTE: Omdat ik al bijna 30 was toen ik hier kwam had het even tijd nodig, maar binnen een jaar had ik een goede vriendenkring.

MAN (GEB. 1961-1970), ZUID-AFRIKA

UIT DE ENQUÊTE: Onze dochter had in het begin moeite met het school-systeem, met name met de discipline en het uniform. Later heeft ze zich volledig aangepast.

VROUW (GEB. 1931-1940) NAMIBIË

UIT DE ENQUÊTE: Ik mis hier het respect voor het leven en de samenleving waar verkrachtingen, moorden niet elke minuut gebeuren.

MAN (GEB. 1931-1940), ZUID-AFRIKA

UIT DE ENQUÊTE: Zuid-Afrikanen waren niet gediend van het feit dat ‘uitlanders’ hun werk zouden doen.

MAN (GEB. 1961-1970), ZUID-AFRIKA