Het blikje in de ijskast heet toevallig Heineken

Nederlanders voelen zich in Brussel eerst Europeaan of wereldburger. Het integreren gaat relatief gemakkelijk, al zien zij elkaar regelmatig bij de hockeyclub of op de Nederlandse Vereniging. Daar wordt toch de wereld besproken.

Ed van Biezen Foto NRC Handelsblad/Leo van Velzen Brussel, 03-04-07. Ed van Biezen. Foto Leo van Velzen NrcHb Velzen, Leo van

Jeroen van der Kris

Of ze ooit nog weggaan uit België? Liever niet. Alleen als het moet. Om praktische redenen misschien, zeggen de leden van de Nederlandse Vereniging Brussel. Maar wat die praktische redenen zouden kunnen zijn, dat weten ze niet, want het bevalt goed in België. Neem de gezondheidszorg, zegt Jaap van der Horst. Een tijdje geleden had hij last van zijn heup. Van kennissen kreeg hij de naam van een goede heupdokter in Gent. Maar toen hij in het ziekenhuis kwam voor een röntgenfoto, bleek het apparaat kapot. „Vindt u het erg om opnieuw te komen, vroegen ze, en ze boden duizend keer hun excuses aan”, vertelt Van der Horst. „De rekening hoefde ik natuurlijk niet te betalen. Maar dat was nog niet alles. Toen de foto was gemaakt, zei de assistente dat ik nog even bij de dokter moest komen. Die wilde persoonlijk zijn excuses aanbieden. Nadat hij dat had gedaan, overhandigde hij een fles champagne.”

Nederlanders in Brussel. Ze wonen bij voorkeur net buiten Brussel, in plaatsen als Tervuren, Jezus-Eik, Overijse en Hoeilaart. Het is er groen en de huizen zijn groot. Ideaal voor gezinnen met kinderen en ouderen die rust zoeken. Jongeren kiezen eerder voor een betaalbaar appartement in de stad.

Als je ergens mensen kunt vinden die zich eerst Europeaan of wereldburger voelen en pas dan Nederlander, dan moet het hier zijn. Een internationalere omgeving is moeilijk voor te stellen. Veel van de Nederlanders in België werken of werkten dagelijks met andere nationaliteiten – bij een van de Europese instellingen of bij een multinational die hier zijn Europese uitvalsbasis heeft. Maar er zijn ook mogelijkheden om onder Nederlanders te verkeren. Zo is er de hockey- en tennisvereniging Oranje, de Nederlandse Julianaschool en verschillende Nederlandse clubs gericht op gezelligheid en werk.

De Nederlandse Vereniging is de oudste, en ook de leden zijn ouder dan gemiddeld. Het merendeel is met pensioen. De vereniging heeft een eigen gebouw, in Tervuren, met onder meer een bibliotheek, een biljart en een bar. „Hier wordt de wereld besproken”, zegt erevoorzitter Ed van Biezen, wijzend op de bar. „Onze leden wonen graag in België, maar laten niets in Nederland voorbijgaan. En ze denken nog wel eens dat ze Nederland beter zouden kunnen leiden. Ten onrechte, natuurlijk.”

Van Biezen vertrok toen hij 33 was. Voor zijn pensionering werkte hij in verschillende landen voor een groot Amerikaans bedrijf. Op een gegeven moment was hij te lang weg uit Nederland om er nog te kunnen settelen, zegt hij. Vanuit Engeland kocht hij zijn huidige huis in Tervuren. Via de telefoon. Hij kende de straat en het huis goed van een eerder verblijf in België. „We vonden het een aantrekkelijk huis omdat het niet zo typisch Belgisch was. Belgische woningen zijn donker en gesloten. Dit huis niet. We hebben bijvoorbeeld een loggia. De vorige eigenaren waren trouwens ook Nederlanders.” In een Nederlands huis zou hij trouwens ook niet graag wonen. Nederlandse huizen zijn niet alleen klein, ze zijn ook allemaal hetzelfde, vindt Van Biezen. „Alsof je in een Novotel bent. Je komt binnen en je kent meteen de weg.”

En hotels heeft hij genoeg gezien. Het verhaal van Ed van Biezen lijkt op dat van andere leden van de Nederlandse Vereniging. Ze hebben veel gereisd, hard gewerkt en goed verdiend. „Ik had alleen nooit tijd om het uit te geven”, zegt Van Biezen. „Op zaterdag had ik vaak een jetlag.”

Maar als hij op een vrije dag met vrienden wilde lunchen, dan ging hij lunchen. Zijn vrouw begreep dat. In de jaren zeventig, toen hij lid werd van de Nederlandse Vereniging, was dat nog een herenclub. Het dameslidmaatschap, waar Van Biezen overigens een voorstander van was, kwam er pas in 1987, na een intensieve discussie. Tegenstanders werden over de streep getrokken met de belofte dat de vrijdagavond, de drukst bezochte avond, gereserveerd zou blijven voor de mannen. Dat is zo tot op de dag van vandaag.

Emiel Weizenbach werd onlangs veertig. „Toen realiseerde ik me plotseling hoe snel de tijd hier is gegaan”, vertelt hij in zijn appartement in het centrum van Brussel, nadat hij twee blikjes Heineken uit de ijskast heeft gehaald. „Maar het is toeval dat ik dat in huis heb”, zegt hij. „Meestal drink ik Belgisch bier.”

Het is een doordeweekse avond. Emiel Weizenbach, ambtenaar bij de Europese Commissie, neemt alle tijd voor het gesprek. Maar straks wil hij nog even naar een borrel. In Brussel is altijd wel wat te doen. Er zijn immers veel mensen die van buiten komen.

De vriendenkring van Emiel Weizenbach is internationaal, zegt hij, net als zijn werkomgeving. Toen hij in 1992 in Brussel begon, moest hij leren communiceren in andere talen en met mensen uit andere landen. Dat betekent bijvoorbeeld: omslachtiger formuleren, meer beleefdheidsvormen gebruiken, minder direct zijn. „Na een tijdje gaat dat automatisch. Maar ook al doe je het onbewust, het is toch vermoeiend. Daarom is het ontspannend om af en toe met Nederlanders onder elkaar te zijn.”

Emiel Weizenbach is voorzitter van Nedcafé, een club die sinds een jaar of vijftien bestaat en zich richt op twintigers, dertigers en veertigers. Vrijblijvendheid staat voorop. Er is een maandelijkse borrel in een Brussels café. En daarnaast zijn er regelmatig sociale activiteiten: een bowlingavond, een stadswandeling of een bezoek aan een brouwerij. Er wordt geen contributie geheven. „Daar houden Nederlanders nu eenmaal niet van”, zegt Weizenbach. Als je Nederlanders in Brussel om hun mobiele telefoonnummer vraagt dan krijgt je er altijd twee, zegt hij. Een Belgisch nummer en een Nederlands nummer, waarmee ze goedkoper kunnen bellen wanneer ze in Nederland zijn.

Is Nedcafé ook een informeel lobbynetwerk? Nee, zegt Emiel Weizenbach, het voornaamste doel is gezelligheid, al wordt er tijdens het borrelen ook wel eens over werk gesproken. „Een lobby is het beste wanneer niemand denkt dat er wordt gelobbyd. Het is natuurlijk best mogelijk dat een ambtenaar van het directoraat-generaal Markt een praatje maakt met iemand van het directoraat-generaal Ondernemingen.”

Informatie uitwisselen is wel expliciet de doelstelling van het Brussels Nederlands Vrouwennetwerk dat Henriette van Eijl drie jaar geleden oprichtte met een collega. Ze werkt bij het directoraat-generaal Onderzoek van de Europese Commissie. Het netwerk telt zo’n 160 leden die elkaar maandelijks ontmoeten tijdens een lunch. Ook Henriette van Eijl geniet van haar internationale omgeving. Waarom dan toch een netwerk van Nederlandse vrouwen? „Je zit de hele dag in een high pressure cooker”, en dan wil je af en toe toch even schakelen met mensen die dezelfde achtergrond hebben als jij. Bovendien kan het contact met mensen uit je eigen lidstaat enorm helpen. Als je informatie nodig hebt, dan gaat dat sneller in het informele circuit. Bij een Nederlander heb je dan een gemakkelijke introductie, dat is gewoon zo. Andere lidstaten doen het ook op deze manier”, aldus Henriette.

De avond begint rustig bij de Nederlandse Vereniging in Tervuren. Maar in korte tijd is de zaal plotseling vol. Ere-voorzitter Van Biezen had het al voorspeld. Vanavond is er happy hour. Consumpties kosten de helft van de prijs en dan is het altijd gezellig. „We blijven tenslotte Ollanders.”

Net als Van Biezen wonen veel van de leden al langer in het buitenland dan dat ze in Nederland hebben gewoond. Maar ze blijken nog altijd dankbare afnemers van Nederlandse kranten. In de meeste gemeenten rond Brussel worden Nederlandse kranten bezorgd op de dag van verschijning.

De meeste leden van de Nederlandse Vereniging mogen dan met pensioen zijn, ze willen op een avond als deze graag nog iets zakelijks doen. Daarom is er een korte lezing. Vandaag zorgt een van de leden daarvoor, Ton van Namen. Hij zal wat vertellen over de chemische industrie, waarin hij zelf vijftig jaar heeft gewerkt. Op zijn zeventigste heeft hij zijn laatste commissariaat neergelegd. Voorafgaand aan de lezing loopt hij naar een foto die aan de muur hangt. „Zie je dat”, vraagt hij. „Dat is de laatste raffinaderij die ik heb neergezet. Dat was in Rotterdam in 1968.”

Ton van Namen houdt een kort verhaal – met powerpoint – over de zegeningen van de chemische industrie. Daar is volgens hem soms te weinig oog voor. Van Namen heeft daarom kritiek op ‘Reach’, een nieuwe Europese richtlijn die strengere eisen stelt aan het gebruik van chemische stoffen. Te streng, vindt hij.

Als de spreker klaar is, staat achterin de zaal Frans Andriessen op. De oud-eurocommissaris is ook lid van de vereniging. „Is het allemaal zo stompzinnig wat de bureaucraten bedenken?”, vraagt hij. Van Namen antwoordt: „Ze gaan er te veel vanuit dat wij niet weten wat we doen. Wij zijn verdomd voorzichtig.”

Om negen uur gaan de bitterballen rond. Daar wordt altijd even mee gewacht opdat de mensen wat langer blijven. Een half uurtje later loopt de zaal inderdaad leeg. De leden van de Nederlandse Vereniging worden ouder. Ze gaan niet meer door tot voorbij middernacht, zoals vroeger. Maar dat betekent niet dat de vereniging minder belangrijk wordt – integendeel. Er melden zich nog steeds nieuwe leden, al worden ze wel steeds ouder. Ze zijn gestopt met werken en hebben plotseling niets meer om handen. Of hun partner is overleden. „Dan vallen ze terug op de vereniging”, zegt voorzitter Gerard Rikkelman.

„Zieke leden worden in de gaten gehouden door de vereniging”, zegt Riekje van der Horst-Amptmeyer. „Je verkommert niet. Als je een beroerte krijgt, dan word je snel gevonden.” Door de instroom van ‘jong gepensioneerden’ blijft het ledental van de Nederlandse Vereniging de laatste jaren min of meer stabiel rond de 380.

Elias Verploeg woont in Brussel sinds 1962 en is al jaren lid van de Nederlandse Vereniging. Hij heeft onder andere bij de Europese Commissie gewerkt. Ook hij is begonnen met een internationale kring van vrienden. Maar na zijn pensionering werd dat minder. „Je ziet dat ook bij andere groepen, bij de Duitsers bijvoorbeeld die hier een grote club hebben. Als men gepensioneerd is, dan trekt men zich een beetje terug in de eigen groep.”

In 1954 vertrok Elias Verploeg uit Nederland. Hij volgt het nieuws uit Nederland nog altijd zeer intensief, intensiever dan het Belgische nieuws. „Dat is opmerkelijk. Ik zie het ook bij vrienden. Dat blijft op de een of andere manier hangen. Er is ook niemand die zal zeggen: laat ik maar Belg worden.” Maar teruggaan naar Nederland? Alleen als het moet, zegt ook Verploeg. „Wij zijn hier nogal veranderd. En Nederland ondertussen ook. Ik denk dat ik aan een aantal dingen zou moeten wennen maar ik kom er nog graag op bezoek. Het land dat wij ons herinneren is het land van de wederopbouw.”

Als Verploeg in Nederland is, heeft hij het gevoel dat hij zich bescheiden moet opstellen. „Zelfs bij m’n eigen familie. Door in het buitenland te wonen, krijg je een andere blik. Als ik hoor waar het in Nederland over gaat, dan heb ik soms het gevoel dat het om dorpsproblemen gaat. Hier bij de club hoef ik niet op mijn woorden te letten. Hier kan ik zeggen wat ik wil.”

UIT DE ENQUÊTE: Ik mis het Nederlandse gezeur over het leven niet. Vlamingen vatten het leven wat humorvoller op.

VROUW (GEB. 1971-1980), BELGIË

UIT DE ENQUÊTE: Op school heb ik Frans geleerd. Door de mensen hier geen Neder-lands tegen me te laten praten, leerde ik het beter. Als men hier Frans wil spreken,is er niets aan de hand en nemen de mensen zelf contact op met je.

VROUW (GEB. 1941-1950) BELGIË

UIT DE ENQUÊTE: Ziektekostenverzekering kostte hier erg veel moeite, overal administratieve rompslomp.

VROUW (GEB. 1951-1960), BELGIË