De avond van de trekharmonica en de alpinopet

Zou er de laatste weken op televisie of radio een onderwerp over de aanstaande Franse verkiezingen zijn uitgezonden zonder dat op de achtergrond een valse musette klonk, terwijl je aan de stem van de verslaggever kon horen dat hij voor de gelegenheid een zwarte alpinopet had opgezet?

Vast niet, en gelukkig niet. Sommige dooddoeners wil ik voor geen goud missen.

In Frankrijk zelf – ik was er net even om de stemming te peilen – is de trekharmonica allang uitgestorven, en niemand die zich nog met zo’n pet op straat waagt. Maar geen Fransman zal ontkennen dat die muziek z’n herkenningsmelodie is, en dat hoofddeksel z’n logo. Elk volk heeft toch een merk nodig? Je hoeft je er niet eens voortdurend naar te gedragen. Alleen in streekfilms en op 14 juli, maar dan ook echt collectief en van ganser harte. Allemaal even terug naar de basisidentiteit. Allemaal voor één dag Jacques Tati in Jour de fête.

Ik wou dat wíj zoiets hadden. Dat de Franse televisie De driekusman liet afspelen als ze Balkenende in beeld hadden.

Voor wie zou ik gisteren hebben gekozen als ik Fransman was geweest?

Ik had op het eerste gezicht een zwak voor Olivier Besancenot, een vriendelijk ogende jongen van een eindje in de dertig, politicus van roeping, historicus uit liefhebberij en postbode voor z’n brood. Postbode! Wat ik al zei: Tati. In een linkserige Franse krant las ik bovendien dat hij met zijn partner een appartement van 55 m2 bewoont dat nog niet is afbetaald. Hij kandideerde dus voor de Ligue communiste revolutionnaire, en zal geen kans maken.

Maar hij hoort natuurlijk net zo bij het merk als de op het oog buitengewoon onbetrouwbare Nicolas Sarkozy (‘Sarko’ voor vrienden) die het waarschijnlijk wordt en straks misschien bevriend staatshoofd is, zodat ik vast wel een beetje op m’n woorden mag letten. Hebben wij in Nederland ooit een communist gehad die er even vrolijk uitzag als Olivier? Zij waren meestal ook bewoners van op z’n mooist 55 m2, daarom keken ze altijd chagrijnig, verongelijkt en haatdragend. Bij ons bestaan ze niet meer. In Frankrijk nog bij de vleet.

Omdat Besancenot zo aardig leek, en in het Achtuur Journaal van TV1 een veel aardiger eind weg praatte dan de meeste andere kandidaten, had ik op hem kunnen stemmen. Het was toch maar de eerste ronde? Maar dat dachten de Fransen in 2002 ook – en nadat ze bij honderdduizenden tegelijk hun stem hadden uitgebracht op vier of vijf kansloze Oliviers van toen, bleken ze de saaie socialist Jospin uit de race te hebben gestoten. De volgende dag droegen ze allemaal een bord voor hun kop waarop ze J’ai honte hadden geschreven, en twee weken later konden ze alleen nog maar kiezen tussen Chirac en Le Pen.

Op die manier had Ségolène Royal er gisteren ook ineens naast kunnen zitten.

Alle kandidaten hadden – over logo gesproken – tijdens hun presentatie in het Franse Journaal op de een of andere manier wel een woordje over voor de Grote Revolutie. Zelfs Besancenot, hoewel die historisch gezien natuurlijk al aan een volgende revolutie bezig was: niet meer de burgerlijke van toen, maar de sociale van morgen. Die van 1789 was ongeveer zoals die van Thorbecke bij ons, met dit verschil dat wij zestig jaar later waren, en er geen koningspaar voor hebben hoeven onthoofden. Ons logo is nou eenmaal een stuk kleurlozer. Ofschoon bourgeois toch meer een Frans dan een Nederlands woord blijft.

Misschien dat daarom alleen het Nederlandse Journaal gisteravond een beetje aan de Franse uitslagen deed. Verder wilde geen omroep er Praatjesmakers of Studio Voetbal voor opgeven.

Maar u weet het: Sarko tegen Ségé.

Lees alle columns van Blokker op www.nrc.nl/blokker