Daar zit je dan gelukkig te zijn met een baby op de rots

Aan de Côte d’Azur wonen zowel gepensioneerde zonzoekers als hardwerkende jongeren. De kinderen spelen met de buren. Maar vrienden? Dat is een groot woord om voor Fransen te gebruiken.

Nederlandse club op de tennisbanen van het dorpje Chateuneuf Foto Fabrice Dimier Nederland Tennis club in Nice, France Dimier, Fabrice

Niets wijst op Nederland als je de knusse woonkamer binnenstapt van Jan-Willem en Marjolein Luijters in Grasse, een toeristisch stadje aan de Franse Côte d’Azur. Het echtpaar op de sierlijk krullende trap zou best Italiaans kunnen zijn. Ze spreken die taal vloeiend en ze hebben het ook graag over het buurland. Jan Willem: „Een van de voordelen is dat we van hieruit zo de grens over zijn” Grasse ligt op zestig kilometer van Italië. „Fransen kijken ons raar aan als we dat zeggen”, lacht Marjolein. „Die kijken een beetje neer op Italië.”

Ook zoon Bob (7) ontmasker je niet meteen als Nederlander. Zijn babytijd bracht hij door in de buurt van Milaan. Daarna woonde hij met zijn ouders vier jaar in Duitsland. Hij sprak Nederlands met een Duits accent. Intussen speelt hij voortdurend in het Frans, behalve als hij af en toe zijn ene Nederlandse vriendje op bezoek heeft. Sinterklaas vieren ze thuis niet. Dat deelt Bob met zijn Franse vriendjes.

Maar dan, als het gezin aan tafel gaat. Franse kinderen drinken water bij het eten. Bob drinkt melk. Als ze de tv aanzetten, kijken ze bijna altijd naar Nederlandse zenders – met dank aan de satellietontvanger. ,,Dat is toch het gemakkelijkst”, vindt Jan-Willem, een hartstochtelijke voetballiefhebber. Juist hij zou Frans moeten kijken, voegt hij er meteen aan toe. Want op zijn werk in Sophia Antipolis, de hightech voorstad bij het naburige Nice, spreekt hij meestal Engels. „Of we het nu leuk vinden of niet”, zegt Marjolein. „We blijven natuurlijk Nederlands.”

Jan-Willem en Marjolein Luijters zijn geen expats en geen gepensioneerden – maar jonge Nederlanders die hun geluk hebben beproefd in het buitenland. Tot vorig jaar december ging Bob op zaterdag naar de Nederlandse school in Opio, twintig kilometer verderop. Elke zaterdag, tot het hem te veel werk werd. Marjolein Luijters verbaasde zich daar over de vanzelfsprekend waarmee Nederlandse ouders met elkaar omgingen. Marjolein: „Er waren mensen die veel later dan wij waren aangekomen, en als je hen voor de derde of vierde keer zag, bleken ze al met iedereen in de omgeving beste vrienden te zijn.” De familie Luijters zoekt de Nederlanders niet op – daarvoor zijn ze niet naar het buitenland gegaan. Het helpt dat zij in Grasse in een „nogal Franse buurt” wonen, vinden ze.

Zoals de familie Luijters wonen er duizenden Nederlanders in Frankrijk. Ze vallen op in de regio’s waar zij, in hun vrije tijd, massaal wegtrekkende Fransen vervangen: in de Morvan, de Ardèche en de Dordogne. Ze vallen niet op in Parijs, waar sommige Nederlanders elkaar wel opzoeken, en de meeste niet.

Ze vallen ook lang niet altijd op in al die andere steden en stadjes waar de kinderen naar een Franse school gaan en de ouders werken bij Franse of internationale bedrijven, of zelf een bedrijf hebben met Franse klanten. Sophia Antipolis, waar Jan-Willem Luijters werkt, is een magneet voor jonge buitenlandse gezinnen. De voorstad van Nice profileert zich al jaren als de Silicon Valley van Europa. Hier zijn veel internationale bedrijven in hightech en telecom.

Het is de andere kant van de Côte d’Azur, de regio die vooral bekend staat om zijn aantrekkingskracht op gegoede gepensioneerden en renteniers. Ook Marseille en Monaco trekken economische activiteit aan. Hoeveel Nederlanders in de regio wonen, is onbekend. De Nederlandse ambassade heeft geen betrouwbare cijfers. Schattingen lopen uiteen tussen 4.000 en 15.000 mensen. Hoe hoger de schatting, des te groter het aandeel van mensen die vakantie vieren in hun tweede woning. Er zijn waarschijnlijk meer Britten dan Nederlanders. Die hebben een eigen radio, Riviera Radio, een eigen krant en gidsen voor Engelstalige winkels.

Toch is er ook een Nederlands netwerk.

Tien kilometer van Grasse ligt de tennisbaan van het dorpje Chateauneuf. Het uitzicht op de heuvels is vredig – al is het grote gebouw aan de horizon een gevangenis. De zestien veteranen die vanmorgen heen en weer rennen, kijken daar niet naar. Ze steunen bescheiden onder de voorjaarszon. „Oude glorie”, klinkt het op baan drie. Gepensioneerd tandarts Loek Onstein (83) heeft juist een passeerslag gemist. Vaak gebeurt het niet. Onstein, de routinier in het gezelschap, is in vorm vandaag. Straks wacht een glas rosé en gaat het gezelschap zingen voor de jarige – Lang zal ze leven op z’n Hollands. Want dit is de tennisochtend van de Nederlandse Club aan de Côte d’Azur.

Loek Onstein woont sinds 1984 in de buurt. „Altijd francofiel geweest”, vertelt hij op het terras van de club. Maar ingeburgerd in Frankrijk? Onstein probeert het wel. Hij beeldhouwt, zit op een Franse biljartclub, maar tot vriendschappen heeft dat niet geleid. „Fransen zijn erg op zichzelf”, vindt hij. Er blijft nooit iemand wat drinken. Dat Franse senioren nauwelijks Engels spreken, is ook een nadeel. Want, zegt hij eerlijk: „Ik spreek de taal, maar om nu te zeggen dat ik goed Frans spreek... Eigenlijk spreken we niet vaak Frans.”

De Nederlandse Club heeft ongeveer 2.000 leden. Ongeveer de helft heeft alleen een tweede woning aan de Côte d’Azur. De “grootste groeigroep” zoals voorzitter Henk van Engelen dat noemt, zijn de vijftigplussers. Er wordt gegolft, gebridged, er zijn af en toe optredens van Nederlandse artiesten waar meer dan 400 mensen op af komen. Van Engelen: „Je moet er niet aan denken dat je geen sociaal circuit opbouwt. En het werkt hier nu eenmaal niet zo, dat je zomaar bij je Franse buren binnenloopt.”

De Nederlandse Club is het grootste netwerk aan de Côte d’Azur – al is er ook een Nederlands Ondersteuningsfonds voor landgenoten die buiten eigen schuld in de problemen zijn gekomen, financieel of sociaal. Nu krijgen 23 mensen opvang. Voorzitter Renée de Gans: „Er zijn soms ouderen die in een sociaal isolement raken, maar ook jonge mensen die eenvoudig weinig geld hebben.” De fondsen komen van Nederlanders ter plaatse. Elk jaar gaan er 2.000 brieven de deur uit en niet alleen naar leden van de Nederlandse Club, verzekert De Gans.

Niet alle leden van de Nederlandse Club zijn pas ná pensionering naar Frankrijk verhuisd. Caroline Dekkers (58) woont al zeventien jaar in Valbonne. Zij wilde naar de Derde Wereld, vertelt zij na het tennissen, toen echtgenoot Willem een baan aangeboden kreeg in Sophia Antipolis. Hun twee zonen – nu het huis uit – hebben in Sophia de internationale school gevolgd. Caroline: „De eerste vier jaar had ik het heel moeilijk, Ik was zo geïsoleerd, dat mijn man tussen de middag naar me toekwam om mij gezelschap te houden.” Dekkers probeerde met haar Nederlandse diploma als verpleegkundige een Franse bevoegdheid te krijgen. Maar dat mislukte. Hoeveel injecties ze ook al had toegediend. „Ik kon niet in het Frans uitleggen hoe je een spuit moet geven.” Nu werkt ze als vrijwilliger voor Franse ouderen in Valbonne, maar als haar man over twee jaar gepensioneerd is, zou zij nog steeds het liefste teruggaan naar Nederland. Caroline: „Ik wil nog altijd aan het werk.”

Wat is jullie doel? Wil je twee, drie jaar blijven of zijn jullie van plan je hier echt te vestigen? Yvonne Keijzer-Nathan stelt die vraag steevast aan ouders die bij haar komen voor schooladvies. De 52-jarige onderwijzeres heeft zeven jaar geleden de Gouden Klomp opgericht, de Nederlandse school in Opio. De school is open als de andere scholen dicht zijn, op woensdag en zaterdag. Wie hier wil blijven, adviseert zij de Franse school, niet de internationale school in Sophia Antipolis – waar haar man doceert.

De Nederlandse school is het product van toeval. In 1995 verhuisde Yvonne Keijzer met haar man en kinderen naar Opio om het landgoed te gaan beheren van haar overleden oudoom. Zij kozen aanvankelijk voor een geheel Frans leven. „Ik zei: we gaan hier wonen, dus we gaan hier ook wortelen”. De kinderen, toen 12 en 14 jaar, gingen naar de gewone buurtschool. Haar man werkte op een verzekeringskantoor.

Al snel dienden zich de eerste Nederlandse ouders uit de buurt aan die haar vroegen of ze les kon geven. Een gat in de markt. Nu ontvangt Keijzer in een klein lokaaltje op de eerste etage van het oude woonhuis van haar familie elke woensdagochtend 25 kleuters. ’s Middags verzamelen zich 15 kinderen van Frans-Nederlandse ouders. En op zaterdag een twintigtal kinderen van Nederlandse ouders, die thuis voltijds Nederlands spreken. Voor kleuters is intussen een wachtlijst. Het lokaal op de eerste etage staat vol Hollandaria. Beeldjes van Oranjes, een landkaart, een bord met aap-noot-mies, en een fel oranje Senseo-apparaat. ,,Ik houd van Nederland, ik laat graag zien dat ik trots ben”.

School is een belangrijke factor voor integratie vindt Judith Veraart-Heuff (41). Maar dan niet de Nederlandse. Vijf dagen in de week rijdt zij met haar zoon Victor (4) van haar schilderachtige woonplaats Èze naar Beausoleil, de banlieue van Monaco. In een charmant huis, verscholen langs de weg naar de stad, is de Waldorfschool gevestigd, een van de weinige Franse antroposofische kleuterscholen. In de tuin speelt Victor met zijn vriendjes. In het Frans, lang niet de moedertaal van alle kinderen. Er zitten 23 kinderen op de school, met zo’n 14 nationaliteiten. „Maar het is geen internationale school”, vertelt Veraart, die als vrijwilliger werkt als een van de twee directeuren van de school. „Alles gaat hier in het Frans.” Zij doet de regelzaken, geeft nog geen les. Sinds drie jaar volgt Veraart in Avignon, met veertig Fransen, een opleiding tot pedagoog in het antroposofische onderwijs. Ze sprak al goed Frans, maar de echte souplesse komt als je gaat schrijven, uitleggen en samenwerken in het Frans.

Ook de familie Veraart kan gemakkelijk onopgemerkt Nederlands zijn aan de Côte d’Azur. Een oude kaart van Nederland achter de voordeur en een kruimel hagelslag op de tuintafel zijn de duidelijkste aanwijzingen van Hollandse afkomst – plus de blonde haardossen van de kinderen. Om half vijf gaat de plaatselijke basisschool in Èze uit en komt ook Lucas (7) thuis. Broer Justus van 8 is op schoolreis. Op z’n Frans: de hele week skiën in het achterland. Elke zaterdag gaat Justus naar de Nederlandse school in Opio. Victor en Lucas gaan niet.

Nederlands en Frans lopen hier vloeiend in elkaar over. Als Victor een paar minuten later aan de tuintafel zit, vertelt hij dat zijn broers altijd in het Frans spelen. Judith: „Behalve als ze allebei huilen.” Lucas schudt het hoofd. Nee hoor, huilen en boos zijn gaat ook in het Frans. De ouders merken dat zijzelf de invloed van het Frans niet altijd weerstaan. „Soms zeggen we aan tafel: houd op je broer te embêteren!” Embêter betekent lastig vallen.

De familie Veraart kwam negen jaar geleden in de regio aan. Ze hadden gekozen voor het buitenland, maar niet per se voor Frankrijk. „Het had ook Zuid-Afrika kunnen zijn.” Steven ging aan de slag bij het Nederlands offshore bedrijf SBM in Monaco. Judith Veraart voelde zich in het begin, toen Justus net geboren was, wel eens eenzaam in hun toenmalige woonplaats La Turbie. Judith: „Ik dacht toen af en toe: daar zit je dan, met je baby op een rots.” Met haar opleiding als kunsthistorica deed ze niets meer. Na een jaar gingen ze voor een jaar naar Singapore. Een expatwereld. Heel anders dan aan de Côte d’Azur, waar ze zich nu voor onbepaalde tijd hebben gevestigd – niet per se voor altijd. Een keer per jaar maken ze samen de balans op, maar terug gaan staat nooit hoog op het lijstje.

Toch blijft de familie ‘hartstikke Hollands’ – en het gros van hun vrienden woont in Nederland of elders in het buitenland. Met een vijftal Nederlandse gezinnen uit de buurt van Monaco vieren ze Sinterklaas. Maar de kinderen spelen meestal met Franse kinderen uit de buurt. Hoe staat het met hun Franse vrienden? We hebben er wel een paar, zegt Judith. Ze aarzelt, weegt haar woorden. „Vrienden”, zegt ze voorzichtig, „dat vind ik eigenlijk een groot woord om voor Fransen te gebruiken”. Het probleem is volgens haar niet de taal, maar de mentaliteit. „Vriendschap werkt anders voor Fransen. Als Nederlander heb je gemakkelijker contact met Scandinaviërs en Engelsen. Die zitten meer op dezelfde golflengte. Fransen zijn gereserveerder.” Een voorbeeld. Toen ze vijf jaar geleden in Èze aankwamen, raakte Justus al snel bevriend met buurjongen Jean. Judith voelde aan dat het met de moeder zou kunnen klikken. Maar al haar vriendelijkheden ten spijt, de aardige moeder bleef afstand houden. Het duurde een jaar voordat zij een keer belde om te vragen of Jean bij Justus mocht spelen. „Toen was ik zo blij. Het voelde als erkenning, eindelijk.”

Wortelen in Frankrijk is een kwestie van volhouden, merkt ook de familie Luijters na drie jaar in Grasse. „Het is toch eenzaam. Als er iets is, heb je niemand om op terug te vallen”, vertelt Jan-Willem Luijters. „Familie en vrienden zijn ver weg.” Marjolein Luijters vindt het avontuur soms zwaar. „Om het te redden in het buitenland moet je het met Nederland gehad hebben”, denkt zij. Aan de andere kant ergert het haar dat vrienden in Nederland nog vragen wanneer ze terugkomen. „Alsof ze denken: ze vinden het nu nog leuk, maar dat gaat wel over.” Na zeven jaar in het buitenland kunnen Jan-Willem en Marjolein Luijters zich voorstellen dat ze nooit meer teruggaan. Ook hun jongste zoon, Jack, nu anderhalf jaar geleden in Zuid-Frankrijk geboren, zal opgroeien als een Nederlands kind aan de Côte d’Azur.

UIT DE ENQUÊTE: We waren na één jaar volgens de burgemeester al helemaal geïntegreerd. We borrelen heel wat af.

VROUW (GEB. 1941-1950), FRANKRIJK

UIT DE ENQUÊTE: De Fransen zijn geen volk dat buitenlanders opvangt. Je moet het echt allemaal zelf doen.

VROUW (GEB. 1951-1960), FRANKRIJK